AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van bijzondere bijstand deels als geldlening voor aanschaf fietsen
Appellante, een alleenstaande ouder die bijstand ontvangt sinds 1996, vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van drie fietsen. De gemeente kende deze bijstand toe tot een bedrag van €923, waarvan €250 als gift en €673 als geldlening. Appellante maakte bezwaar tegen het deel in de vorm van een geldlening, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de wet (artikelen 48 en 51 WWB) het mogelijk maakt bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen als geldlening toe te kennen. De Commissie voerde een beleid waarbij bijstand voor dergelijke goederen in principe als geldlening wordt verstrekt, met uitzondering van bijzondere gevallen. Dit beleid wordt als redelijk beschouwd.
Appellante stelde medische noodzaak voor een fiets en financiële onmogelijkheid tot terugbetaling, maar de Raad vond geen bewijs voor medische noodzaak en zag geen reden om van het beleid af te wijken. Ook was er geen sprake van een toezegging die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijzondere bijstand voor de aanschaf van fietsen is terecht deels toegekend als geldlening volgens het gemeentelijk beleid en wettelijke bepalingen.
Uitspraak
06/1177 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 januari 2006, 05/2650 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)
Datum uitspraak: 20 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Voor appellante is verschenen mr. Gulickx. De Commissie heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 17 december 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
Appellante heeft op 15 juli 2004 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van drie fietsen voor haar zelf en twee van haar kinderen. Bij besluit van 7 december 2004 heeft de Commissie naar aanleiding van deze aanvraag bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 923,-- onder mededeling dat een bedrag van € 250,-- wordt verstrekt om niet en een bedrag van € 673,-- in de vorm van een geldlening.
Het bezwaar van appellante dat de bijzondere bijstand ten onrechte deels is toegekend in de vorm van een geldlening, is bij besluit van 6 juni 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 juni 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 48, eerste lid, van de WWB schrijft voor dat, tenzij in deze wet anders is bepaald, de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, danwel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 vanPro de WWB geeft regels omtrent de afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening.
In dit geding staat vast dat de aanvraag van appellante uitsluitend de kosten van duurzame gebruiksgoederen betreft. De Commissie was derhalve bevoegd de gevraagde bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.
Uit de gedingstukken blijkt dat de Commissie het beleid voert dat voor de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen in principe bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening. In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld als het niet verantwoord is een nieuwe lening te verstrekken, kan bijstand om niet worden verleend. Personen die drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau hebben kunnen per kalenderjaar in aanmerking komen voor een bedrag om niet van € 175,-- (alleenstaande) of € 250,-- (alleenstaande ouder of gehuwden).
Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen moeten worden gerekend tot de algemene kosten van het bestaan waarvoor de betrokkene zonodig dient te reserveren. Indien - zoals in het onderhavige geval - zich de bijzondere situatie voordoet dat duurzame gebruiksgoederen moeten worden aangeschaft en de betrokkene daarvoor nog niet of niet voldoende heeft gereserveerd ligt het voor de hand dat de bijstand, mede gezien het duurzame karakter van de gebruiksgoederen, in principe in de vorm van een geldlening wordt verstrekt.
De Raad stelt vast dat de Commissie heeft gehandeld overeenkomstig haar beleid door appellante, die alleenstaande ouder is en langer dan drie jaar een inkomen op bijstandsniveau heeft, tot een bedrag € 250,-- bijzondere bijstand toe te kennen om niet en voor het overige in de vorm van een geldlening.
Appellante heeft gesteld dat zij om medische redenen een fiets nodig heeft en dat zij geen financiële ruimte heeft om de geldlening terug te kunnen betalen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hierin geen bijzondere redenen zijn gelegen om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen van de rechtbank terzake. De stukken die appellante ter onderbouwing van haar stelling dat zij om medische redenen een fiets nodig heeft in hoger beroep heeft ingezonden leiden de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat uit die stukken niet blijkt van een medische noodzaak voor de aanschaf van een fiets. De Raad stelt voorts vast dat niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van de Commissie waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.