ECLI:NL:CRVB:2007:BA1521

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4563 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 11, zevende lid, tweede volzin Toeslagenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing toeslag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant verzocht om een toeslag krachtens de Toeslagenwet met terugwerkende kracht vanaf een datum langer dan een jaar voor de aanvraag. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat bijzondere omstandigheden, zoals een posttraumatische stressstoornis, hem verhinderden tijdig de toeslag aan te vragen.

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen psychiatrische expertise had laten verrichten, omdat er twijfel bestond over zijn psychische gesteldheid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat geen gronden aanwezig waren om af te wijken van de hoofdregel dat toeslagen niet met terugwerkende kracht langer dan een jaar worden toegekend.

De Raad benadrukte dat appellant na een overval in Suriname zelfstandig terugkeerde naar Nederland en tijdig contact opnam met het Uwv. Ook tijdens medische gesprekken werden geen psychische problemen vastgesteld die hem zouden hebben verhinderd tijdig een aanvraag in te dienen. Bovendien was appellant wel in staat om tijdig bezwaar te maken tegen een WAO-besluit, wat niet verenigbaar is met zijn stelling dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde de toeslag aan te vragen.

Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de toeslag met terugwerkende kracht langer dan een jaar wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

06/4563 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 23 juni 2006, 05/5386 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 23 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 9 februari 2007. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen.
Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
De gemachtigde van appellant heeft bij fax ontvangen zeer kort voor de aanvang van het onderzoek ter zitting verzocht om uitstel van de behandeling. Dit omdat hij op weg naar de Raad is overvallen door hoofdpijn en hij daarom terug is gegaan naar zijn kantoor.
Naar het oordeel van de Raad kan hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd niet worden aangemerkt als een uitzonderlijke omstandigheid die uitstel van het onderzoek ter zitting rechtvaardigt.
Vervolgens komt de Raad toe aan de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Bij besluit van 24 november 2004 heeft het Uwv op de aanvraag van appellant van 1 november 2004 om een toeslag krachtens de Toeslagenwet (TW) besloten tot toekenning van de toeslag per 1 november 2003.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar zijn mening verkeerde hij in zodanig bijzondere omstandigheden dat het Uwv gebonden was tot toekenning van de uitkering met terugwerkende kracht van langer dan een jaar.
Bij besluit van 22 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder de overweging dat nu uit de ter beschikking staande gegevens blijkt dat appellant na te zijn overvallen in Suriname op
3 februari 2003, op 22 februari 2003 zelfstandig is teruggekeerd naar Nederland, vervolgens zelf contact met het Uwv heeft opgenomen in verband met zijn WAO-beoordeling en ook tijdens de gesprekken met de verzekeringsarts op 12 maart 2003 en met de arbeidsdeskundige op 12 mei 2003 geen aanwijzing voor psychische problemen naar voren zijn gekomen, appellant in staat moest worden geacht tijdig het aanvraagformulier TW in te dienen. De rechtbank is dan ook tot het oordeel gekomen dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 11, zevende lid, tweede volzin van de TW, die een uitzondering op de hoofdregel, - een recht op toeslag kan niet worden vastgesteld over periodes gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag over toeslag werd ingediend - rechtvaardigt.
In hoger beroep heeft appellant (kort samengevat) aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om een psychiatrische expertise door een onafhankelijk psychiater te laten verrichten, nu zij blijkbaar twijfelde aan de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden ten gevolge van de posttraumatische stress stoornis.
Naar het oordeel van de Raad slaagt deze grief van appellant niet. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat uit de stukken niet aannemelijk is geworden dat appellant destijds niet in staat was om binnen zes weken na het besluit van 28 mei 2003 tot toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering een aanvraag om een toeslag in te dienen en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake.
Bovendien wil de Raad nog opmerken dat appellant wel in staat was om tijdig een bezwaarschrift te (doen) indienen tegen het WAO-besluit van 28 mei 2003, hetgeen niet valt te rijmen met de stelling van appellant dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde om tijdig de toeslag aan te (doen) vragen.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) N.E. Nijdam.