AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na whiplash
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 12 augustus 2003, waarbij haar WAO-uitkering per 29 mei 2003 werd beëindigd. Zij stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld. Ter onderbouwing overlegde zij een expertise van neuroloog Stenvers, die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aannam.
De Raad overwoog dat het postwhiplash-syndroom geen objectieve medische afwijkingen kent, waardoor een onderbouwing van beperkingen lastig is. De rapporten van de verzekeringsartsen werden als zorgvuldig en juist beoordeeld, terwijl de expertise van Stenvers onvoldoende kwantitatieve onderbouwing bood. Daarnaast oordeelde de Raad dat het havodiploma van appellante gelijkwaardig is aan het vereiste mbo-diploma voor de functie van arbeidsbemiddelaar.
Gelet op de functionele mogelijkhedenlijst en de medische rapporten concludeerde de Raad dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is en de functie van arbeidsbemiddelaar kan vervullen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitspraak
05/1692 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2005, 04/2615 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 23 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. B.A. van der Veer, werkzaam bij AbvaKabo te Zoetermeer.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. A. Simsek, advocaat te Zoetermeer. Voor het Uwv is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuijsen.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 12 augustus 2003, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – heeft gehandhaafd zijn besluit dat appellante per 29 mei 2003 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering.
De rechtbank heeft het beroep – op de in de uitspraak opgenomen overwegingen – ongegrond verklaard. Voor een overzicht van de aan het besluit van 12 augustus 2003 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep heeft appellante – evenals in bezwaar en in beroep – aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat haar beperkingen dientengevolge niet juist zijn vastgesteld. Ter ondersteuning van haar stelling dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen, heeft appellante een expertise van de door haar ingeschakelde neuroloog J.W. Stenvers van 23 december 2005 overgelegd. Appellante heeft verder gesteld dat de functie van arbeidsbemiddelaar (SBC 763100) niet passend is omdat zij niet beschikt over het voor die functie noodzakelijke diploma.
De Raad overweegt als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellante onzorgvuldig dan wel onjuist hebben vastgesteld. De Raad wijst daartoe op het volgende. Uit het rapport van verzekeringsarts C.J. Otto van 31 oktober 2002 volgt dat appellante op grond van haar met whiplash-letsel – welke diagnose als zodanig niet in geschil is – samenhangende klachten beperkt is geacht. Bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen heeft in haar rapport van 4 augustus 2003 verklaard dat de door Otto aangenomen beperkingen juist zijn en de resterende mogelijkheden van appellante niet overschrijden.
Appellante heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, een expertise van neuroloog Stenvers van 23 december 2005 overgelegd waarin deze de resterende mogelijkheden van appellante gedetailleerd heeft aangegeven en heeft geconcludeerd dat appellante als gevolg van het postwhiplash- syndroom minder dan 50% arbeidsgeschikt is. Bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg heeft in zijn rapport van 15 februari 2006 aangegeven dat Stenvers de door hem genoemde beperkingen onvoldoende heeft beargumenteerd en heeft ze daarom van de hand gewezen. In reactie heeft Stenvers bij brief van 17 maart 2006 verklaard dat het postwhiplash-syndroom gekenmerkt wordt door de afwezigheid van neurologische afwijkingen waardoor onderbouwing van de bevindingen niet goed mogelijk is. Bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan handhaaft in zijn rapport van 18 april 2006 de stelling van Versteeg dat de door Stenvers aangenomen beperkingen in verzekeringsgeneeskundig opzicht onvoldoende onderbouwd zijn.
De Raad overweegt dat het postwhiplash-syndroom wordt gekenmerkt door het ontbreken van objectieve medische afwijkingen. In het licht hiervan kan noch van de verzekeringsartsen noch van neuroloog Stenvers worden verwacht dat de bevindingen ten aanzien de beperkingen van appellante worden gestoeld op objectieve medische afwijkingen. Dat neemt naar het oordeel van de Raad echter niet weg dat van Stenvers wel kan worden gevergd dat hij – waar hij de zijns inziens voor appellante geldende beperkingen nauwkeurig omschrijft – enige onderbouwing van en inzicht in zijn met name kwantitatieve aanduidingen verschaft. Dit geldt te meer nu Stenvers ondanks het ontbreken van objectieve medische afwijkingen in de aanname van beperkingen van appellante verder gaat dan de verzekeringsartsen. Zowel het rapport van Stenvers van 23 december 2005 als zijn brief van 17 maart 2006 ontberen echter een op de (mate van de) beperkingen toegespitste onderbouwing. Gelet hierop ziet de Raad in het rapport van Stenvers geen reden om de beperkingen zoals die door de verzekeringsartsen zijn aangenomen voor onjuist te houden.
Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij de functie van arbeidsbemiddelaar niet kan vervullen, omdat voor deze functie een mbo-diploma wordt vereist. Appellante is van mening dat haar havodiploma veel theoretischer is dan een mbo-diploma en om die reden niet gelijkwaardig is. De bezwaararbeidsdeskundige L.G.W. Lind heeft in haar rapport van 12 januari 2005 verklaard dat voor de functie van arbeidsbemiddelaar een algemeen mbo-diploma wordt vereist. Nu beide diploma’s toegang geven tot een hbo-opleiding en het bovendien gaat om een algemeen mbo-diploma, zijn ze volgens Lind gelijkwaardig.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt aan de diploma-eis voldaan als sprake is van gelijkwaardige diploma’s. In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht ziet de Raad – in het licht van de verklaringen van de bezwaar- arbeidsdeskundige – geen reden om ten aanzien van de functie van arbeidsbemiddelaar appellantes havodiploma niet gelijkwaardig te achten aan het voor de functie vereiste mbo-diploma. Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat de functie van arbeidsbemiddelaar voor appellante niet geschikt is.
Het is de Raad, uitgaande van de op 11 maart 2003 vastgestelde ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’, niet kunnen blijken dat appellante op de datum in geding, 29 mei 2003, niet in staat kon worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.