Appellant, kapitein-luitenant ter zee, was betrokken bij een reünie van oud-opvarenden van de Hr. Ms. Drenthe. Hij stuurde een brief op briefpapier van het Veteraneninstituut waarin kritiek werd geuit op de wijze van aandacht voor slachtoffers van een brandincident in 1980. Deze brief werd door de bevelhebber der zeestrijdkrachten aangemerkt als een ambtsbericht en in het persoonsdossier van appellant opgenomen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze kwalificatie en stelde onder meer dat de brief was geschreven door een persoon die niet langer de hoedanigheid van voorzitter van het koepelbestuur van het Veteraneninstituut had en dus niet als ambtelijk orgaan kon worden beschouwd. De Raad oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat deze persoon op het moment van de brief nog voorzitter was, waardoor de brief ten onrechte als ambtsbericht was aangemerkt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit, en bepaalde dat de brief en gerelateerde stukken uit het dossier van appellant verwijderd en vernietigd moeten worden. Tevens veroordeelde de Raad de commandant in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit waarbij de brief als ambtsbericht werd aangemerkt is vernietigd en het primaire besluit herroepen.
Uitspraak
05/2257 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 maart 2005, 03/2838 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Commandant Zeestrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (hierna: commandant)
Datum uitspraak: 8 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. O.W. Borgeld, juridisch adviseur te Bentveld. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.M. Both en mr. T. Bozilovic, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.
Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], wonende te Anna Paulowna.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant, kapitein-luitenant ter zee van speciale diensten, was werkzaam als [functie] bij het Kennis- en Onderzoekscentrum van het Veteraneninstituut (hierna: Vi) te Doorn. Op 18 oktober 2002 heeft bij het Vi een reünie plaatsgevonden van oud-opvarenden van de jager Hr. Ms. Drenthe. Appellant was één van de organisatoren. Bij de voorbereiding van deze dag bestonden verschillen van mening tussen de vertegenwoordigers van de marineleiding (opdrachtgever) en van het Vi (opdrachtnemer), in het bijzonder over de wijze waarop aandacht zou moeten worden besteed aan de slachtoffers van de brand, die op 12 november 1980 aan boord van de Drenthe heeft gewoed.
1.2. Appellant heeft op 9 december 2002, op briefpapier van het Vi, een brief gezonden aan de (toenmalige) Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (hierna: BDZ), waarin hij aangeeft dat, tegen de adviezen van het Vi in, onvoldoende aandacht is besteed aan bedoelde slachtoffers, en dat dit gebrek aan aandacht onvrede heeft opgeleverd, onder meer bij [naam getuige], de meest direct betrokkene bij de calamiteit. Voorts legt hij de BDZ een aantal vragen voor om te voorkomen dat zich in de toekomst bij de opvang na een calamiteit dezelfde problemen voordoen.
1.3. De directeur Personeel Koninklijke marine heeft een afschrift van deze brief toegestuurd aan commandeur b.d.
H.H.J. [P.] (hierna: [P.]), in zijn hoedanigheid van voorzitter van het koepelbestuur van het Vi. Deze heeft zich bij brief van 10 januari 2003 aan de BDZ gedistantieerd van de handelwijze, de in de brief verwoorde standpunten en de wijze van formuleren van appellant, en daarvoor excuses aangeboden.
1.4. Bij besluit van 6 februari 2003 heeft de BDZ appellant ervan in kennis gesteld dat hij de brief van de voorzitter van het Vi van 10 januari 2003 heeft aangemerkt als een ambtsbericht in de zin van de Procedureregels ambtsberichten militairen zeemacht (hierna: Procedureregels), en dat deze brief wordt opgelegd in zijn persoonsdossier, opdat de inhoud ervan in beschouwing kan worden genomen bij ten aanzien van appellant te nemen beslissingen op rechtspositioneel gebied. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 juni 2003, met dien verstande dat is bepaald dat één zinsnede in de brief van 10 januari 2003 onleesbaar wordt gemaakt.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, naast inhoudelijke bezwaren tegen de brief van 10 januari 2003, onder meer als grief naar voren gebracht dat [P.] ten tijde van het schrijven van de brief niet langer de hoedanigheid bezat van voorzitter van het koepelbestuur van het Vi, en derhalve niet aangemerkt kon worden als ambtelijk orgaan dat een ambtsbericht in de zin van de Procedureregels kon uitbrengen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Blijkens artikel 1, tweede lid, van de Procedureregels wordt in het kader van het personeelsbeleid in algemene zin onder ambtsbericht verstaan: ieder schriftelijk bericht, afkomstig van een ambtelijk orgaan, met inbegrip van een bondgenootschappelijke functionaris, en ter kennis gebracht van een tot het nemen van rechtspositionele beslissingen bevoegde autoriteit, dat gegevens bevat betreffende persoonlijke gedragingen of omstandigheden van een militair, en dat bij een door vorenbedoelde autoriteit te nemen beslissing op rechtspositioneel gebied in beschouwing kan worden genomen.
4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijv. CRvB 24 oktober 2002, LJN AK8347, TAR 2003, 58) verkrijgt een bericht over een militair dat als ambtsbericht wordt aangemerkt, daardoor een status vergelijkbaar met een beoordeling. Dit noopt naar het oordeel van de Raad tot bijzondere zorgvuldigheid jegens de militair, niet alleen bij de weergave van de feiten en omstandigheden in het ambtsbericht, maar ook in die zin dat geen twijfel mag bestaan aan de ambtelijke hoedanigheid van degene van wie het bericht afkomstig is.
4.3. Nog afgezien van de vraag of het koepelbestuur en/of de onafhankelijke voorzitter daarvan, aangemerkt kan worden als een ambtelijk orgaan in de zin van de Procedure-regeling - de Procedureregeling geeft geen definitie van dat begrip - is de Raad van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [P.] op 10 januari 2003 rechtens nog de hoedanigheid van voorzitter van het koepelbestuur van het Vi bezat. Uit de gedingstukken blijkt dat [P.] aanvankelijk het voornemen had zijn functie neer te leggen rond 1 juli 2002 - het einde van de in het Uitwerkingsconvenant over de oprichting van het Vi voorziene benoemingsperiode van drie jaren. Blijkens een mededeling van 27 juni 2002 aan de medewerkers bij de partnerorganisaties van het Vi over de beoogde nieuwe structuur van het Vi, heeft het koepelbestuur besloten dat de huidige voorzitter en leden van het koepelbestuur tot 1 januari 2003 in functie blijven. De commandant heeft desgevraagd geen stuk kunnen overleggen waaruit blijkt dat nadien tot verdere verlenging van de ambtsperiode is besloten.
4.4. Ter onderbouwing van zijn stelling dat [P.] nog tot 16 januari 2003 in functie is gebleven heeft de commandant bij zijn verweerschrift nog twee nadere stukken aan de Raad doen toekomen. Uit het ene stuk, het Woord vooraf bij het jaarverslag 2003 van het Vi, blijkt echter slechts dat de oorspronkelijk beoogde datum van 1 januari 2003 voor de overgang naar een nieuwe organisatiestructuur niet gehaald is, en dat de oprichting van de nieuwe stichting “het Veteraneninstituut” pas op
24 februari 2003 zijn beslag heeft gekregen. Over de vraag of en zo ja, op welke wijze tussen 1 januari 2003 en 24 februari 2003 in het voorzitterschap van het koepelbestuur is voorzien, geeft dit stuk geen uitsluitsel. Ook uit het andere stuk, een persbericht inhoudend dat [P.] op 16 januari 2003 bij zijn afscheid als voorzitter van het koepelbestuur uit handen van de staatssecretaris van Defensie een ereteken heeft ontvangen, kan de Raad niet met de vereiste mate van zekerheid opmaken, dat deze op 10 januari 2003 nog rechtens als voorzitter fungeerde.
4.5. Nu er, gelet op het voorgaande, gerede twijfel bestaat of de steller van de brief van 10 januari 2003 de hoedanigheid van ambtelijk orgaan bezat, kan de Raad slechts concluderen dat de commandant diens brief ten onrechte als ambtsbericht heeft aangemerkt. Nu dat gebrek niet valt te herstellen, zal de Raad niet alleen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen, maar zal hij met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook het primaire besluit van 6 februari 2003 herroepen. De Raad gaat ervan uit dat, ook zonder de daartoe door appellant gevorderde dwangsom, de brief van 10 januari 2003 en alle hieraan gerelateerde stukken uit het persoonsdossier van appellant worden verwijderd en worden vernietigd.
5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de commandant op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 644,-, in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, totaal € 1.932,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 17 juni 2003;
Herroept het primaire besluit van 6 februari 2003;
Veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.932,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2007.