ECLI:NL:CRVB:2007:BA1856

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1928 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ongeoorloofde afwezigheid

Appellante trad op 1 april 2004 in dienst bij haar werkgever en kreeg op 10 december 2004 een laatste waarschuwing wegens eerdere ongeoorloofde afwezigheid. Begin 2005 ging zij op vakantie naar Curaçao. Door het faillissement van haar vliegtuigmaatschappij kon zij niet op de afgesproken datum 7 februari 2005 op haar werk verschijnen. Zij probeerde de werkgever hiervan via e-mail op de hoogte te stellen, maar deze e-mail bereikte de werkgever niet.

Op 7 februari 2005 verscheen appellante niet op het werk en de werkgever kon haar niet bereiken. Op 8 februari 2005 werd zij op staande voet ontslagen. Het UWV weigerde vervolgens de WW-uitkering met ingang van die datum wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden omdat zij, ondanks de waarschuwing, niet tijdig en effectief contact had gezocht met haar werkgever om haar afwezigheid te melden. Haar verklaring dat telefonisch contact onmogelijk was, werd niet geloofd. Het risico dat de e-mail niet aankwam, kwam voor haar rekening. Hierdoor was het ontslag en de weigering van de WW-uitkering terecht.

Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1928 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 januari 2006, 05/1093 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd nadere stukken ingezonden. Appellante heeft desgevraagd nadere informatie verstrekt.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 januari 2007. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Appellante is op 1 april 2004 in dienst getreden bij de [werkgever] (hierna: werkgever). Op 10 december 2004 heeft de werkgever appellante, onder verwijzing naar een aantal incidenten waarbij appellante ongeoorloofd afwezig was, een laatste kans geboden en haar meegedeeld dat bij een volgend incident ontslag zou volgen.
2.2. Appellante is begin 2005 op vakantie naar Curaçao gegaan. Op 24 januari 2005 vernam appellante dat het, tengevolge van het faillissement van haar vliegtuigmaatschappij en de daarop gevolgde overname van de failliet en overboekingen, voor haar niet mogelijk zou zijn op de met de werkgever afgesproken datum, 7 februari 2005, op haar werk te verschijnen. Zij heeft de werkgever hiervan bij e-mail van 25 januari 2005 op de hoogte gebracht. Deze e-mail heeft de werkgever, zoals blijkt uit de aan appellante gerichte e-mail van haar provider van 26 januari 2005, niet bereikt.
2.3. Appellante verscheen op 7 februari 2005 niet op haar werk. Haar werkgever heeft daarop tevergeefs getracht met appellante in contact te treden, onder meer door een bericht op haar voicemail in te spreken. Bij brief van 8 februari 2005 heeft de werkgever appellante vervolgens op staande voet ontslagen.
2.4. Appellante heeft een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 30 maart 2005 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 8 februari 2005 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv, na informatie te hebben ingewonnen bij de werkgever, bij het bestreden besluit van 22 juli 2005 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellante, gelet op de eerdere waarschuwing, redelijkerwijs moeten begrijpen dat het dienstverband zou kunnen worden beëindigd indien zij, zonder dat de werkgever daarvan op de hoogte was, op de afgesproken datum -
7 februari 2005 - niet op haar werk verscheen. Naar het oordeel van de rechtbank valt het appellante te verwijten dat haar werkgever er niet van op de hoogte is geraakt dat zij die dag door overmacht afwezig was. De rechtbank overweegt daarbij dat een werknemer, indien sprake is van een langere afwezigheid dan afgesproken, gehouden is de werkgever daarvan tijdig op de hoogte te stellen en dat het voor risico van appellante dient te komen dat haar e-mail van 25 januari 2005 niet bij de werkgever is aangekomen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat appellante niet is nagegaan of haar e-mail door de werkgever was ontvangen en dat zij ook niet heeft getracht telefonisch met haar werkgever in contact te treden. De verklaring van appellante dat telefonisch contact onmogelijk was, acht de rechtbank niet geloofwaardig.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in het oordeel dat het Uwv terecht de WW-uitkering aan appellante blijvend geheel heeft geweigerd op de grond dat zij verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.
4.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
4.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
4.4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
5. Nu het hoger beroep niet slaagt is er voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen plaats.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.