ECLI:NL:CRVB:2007:BA1861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door eigenzinnig minder werken
Appellante was werkzaam als activiteitenbegeleidster voor 36 uur per week en meldde zich ziek in mei 2002. Na een re-integratieproces werd zij door het UWV volledig arbeidsgeschikt verklaard. Ondanks deze medische verklaringen werkte zij op eigen gezag minder uren dan overeengekomen, wat leidde tot ontslag per 1 november 2004.
Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het UWV voldoende medisch onderzoek had verricht en dat appellante onwettig afwezig was geweest.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat appellante zich verwijtbaar heeft gedragen door haar eigenzinnige werkweigering, ondanks dat zij wist dat dit tot ontslag zou leiden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.