Art. 24 WWArt. 24 lid 1 WWArt. 24 lid 4 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid na depotherinrichting
Appellant was sinds 1984 werkzaam als depothouder/vervoerder bij DistriQ B.V. Begin 2004 werd aangekondigd dat de dagbladdistributie zou worden geherstructureerd, waarbij depots werden samengevoegd en werkzaamheden gewijzigd. Appellant verzette zich tegen de wijziging vanwege een aanzienlijke salarisachteruitgang en weigerde het nieuwe aanbod.
Het UWV weigerde daarop zijn WW-uitkering, stellende dat appellant verwijtbaar werkloos was omdat hij het aangeboden werk zonder geldige reden had geweigerd. De rechtbank verklaarde dit besluit echter ongegrond en oordeelde dat appellant door eigen toedoen passende arbeid had verloren.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de salarisachteruitgang substantieel was en dat het aangeboden werk niet als passende arbeid kan worden beschouwd. De Raad vernietigt het besluit van het UWV en veroordeelt het UWV in de proceskosten. Het UWV dient een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze overwegingen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
06/36 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 november 2005, 05/2467 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J.W. de Water, advocaat te Katwijk aan Zee, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft het Uwv zijn standpunt schriftelijk nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellant is, na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen, in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. De Water voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant was sinds 1984 werkzaam bij DistriQ B.V., een dochtermaatschappij van N.V. Holdingmaatschappij De Telegraaf, als depothouder/vervoerder. Hij was depothouder van twee depots, te weten het depot Katwijk aan Zee en het depot Katwijk aan den Rijn. De werkzaamheden behelsden -kort weergegeven- de distributie van het dagblad De Telegraaf in de bij de desbetreffende depots behorende regio’s.
2.2. Begin maart 2004 heeft DistriQ B.V. (hierna: de werkgever) aan appellant te kennen gegeven dat de dagbladenorganisatie zal worden geherstructureerd en dat er met ingang van 19 april 2004 één distributieorganisatie in de ochtend zal zijn voor de dagbladen De Telegraaf en het Leidsch Dagblad. Als gevolg daarvan zijn ook de toen bestaande depots heringericht. Wegens deze herinrichting van depots heeft de werkgever de overeenkomst met appellant met betrekking tot de werkzaamheden voor het depot Katwijk aan Zee opgezegd en hem de werkzaamheden voor het depot Katwijk aan den Rijn (welke werden uitgebreid met de distributie van het Leidsch Dagblad) aangeboden. Appellant heeft zich tegen deze wijziging verzet omdat zij voor hem een grote salarisachteruitgang zou betekenen. Hij heeft zijn bezwaren telefonisch en schriftelijk aan de werkgever kenbaar gemaakt en daarop is namens de werkgever gereageerd. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat hij er geen heil inziet om alleen voor het depot Katwijk aan den Rijn te gaan werken omdat hij dan voor werkzaamheden van ongeveer dezelfde omvang als voorheen een veel lager salaris zal ontvangen. Hij verdiende als regel € 1.550,-- netto per maand en zou volgens zijn berekening ongeveer € 1.266,-- bruto per maand gaan verdienen. Bij brief van 16 april 2004 heeft de werkgever de overeenkomsten met appellant met betrekking tot beide depots met ingang van 1 mei 2004 opgezegd en aan appellant daarbij een vergoeding toegekend, berekend naar de opzegtermijn van 6 maanden, en hem met ingang van 19 april 2004 vrijgesteld van alle werkzaamheden. Bij verzoekschrift van 27 mei 2004 heeft appellant de kantonrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat hij zijn werkzaamheden voor de depots Katwijk aan Zee en Katwijk aan den Rijn kan voortzetten, welke voorziening bij vonnis van 14 juli 2004 is afgewezen. De kantonrechter was vooralsnog van oordeel dat DistriQ B.V. in een bodemprocedure er in zou slagen het rechtsvermoeden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, te weerleggen. Vervolgens heeft appellant een aanvraag voor een uitkering krachtens de WW ingediend.
2.3. Het Uwv heeft bij besluit van 25 augustus 2004 aan appellant meegedeeld dat hem de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is omdat hij het werk dat de werkgever hem heeft aangeboden, heeft geweigerd zonder dat hij daarvoor een goede reden had. Bij besluit van 10 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 augustus 2004 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat er voor appellant, vergeleken met de oude situatie, in de nieuwe situatie geen sprake zou zijn van vermindering van werktijden en uren, alsmede dat er sprake zou zijn van een kleine verhoging van salaris bij minder verantwoordelijk werk. De verwijtbaarheid van appellant is naar de opvatting van het Uwv alsdan gelegen in de omstandigheid dat appellant, zonder goede reden, het door diens werkgever aangeboden werk niet heeft geaccepteerd.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, alsmede beslissingen gegeven ter zake van griffierecht en proceskosten. Zij heeft daartoe overwogen dat bij het geheel van de feiten en omstandigheden meer het beeld past van het niet behouden van arbeid als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW dan bij het niet aanvaarden of niet verkrijgen van arbeid als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, welke grond -naar ter zitting was gesteld- in bezwaar aan het bestreden besluit ten grondslag was gelegd. Naar haar oordeel heeft appellant door het aanbod van de werkgever niet te aanvaarden door eigen toedoen geen passende arbeid behouden. De omstandigheid dat het aangeboden loon niet onaanzienlijk lager was dan voorheen bracht, zo oordeelde de rechtbank, niet mee dat niet van appellant had kunnen worden gevergd dit aanbod te aanvaarden, gegeven de omstandigheid dat bij niet aanvaarding totale werkloosheid zou volgen.
4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep wederom op het standpunt gesteld dat de salarisachteruitgang, die hij zou leiden als hij op het aanbod van de werkgever zou zijn ingegaan, zodanig groot zou zijn geweest dat het hem redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen dat hij dat aanbod niet heeft aanvaard.
4.2. Het Uwv heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.
5.1. Met de rechtbank is de Raad op grond van de voorhanden zijnde informatie van oordeel dat aanvaarding van de door de werkgever aangeboden arbeid een niet onaanzienlijke achteruitgang in salaris zou betekenen. De Raad wijst hiertoe op de verklaring van dhr. J. Bergman, rayonmanager bij de werkgever, neergelegd in het telefoonrapport, gedateerd 10 februari 2005, dat de achteruitgang in salaris minder dan een kwart zou bedragen, alsmede op de verklaring van deze rayonmanager dat er voor appellant geen verschil was wat betreft de werktijden en uren, maar wel wat betreft het aantal wijken. Mede gelet op de in hoger beroep ingebrachte stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Raad genoegzaam steun voor het oordeel dat in de nieuwe situatie wel een wijziging in de aard van de werkzaamheden zou plaatsvinden, in die zin dat de nabezorging zou worden uitgebreid: er zou niet alleen ’s-ochtends een nabezorgingsronde zijn maar in het vervolg ook ’s-middags en de nabezorgingsronden zouden zich tevens gaan uitstrekken tot de regio Valkenburg, waarmee de nabezorging betrekking zou hebben op in totaal ongeveer 6000 kranten. Voorts is door appellant gesteld en niet door het Uwv betwist dat appellant in de oude situatie een soort basisvergoeding ontving, welke hij door het verrichten van extra werkzaamheden heeft kunnen verhogen tot een totaal bedrag van ongeveer € 1.930 tot € 2.040,-- bruto per vier weken. In de nieuwe situatie bedroeg de basisvergoeding € 1.266,-- bruto per vier weken, maar, zo is door appellant betoogd, er zouden voor hem, gelet op de gewijzigde werkzaamheden, (vrijwel) geen mogelijkheden meer bestaan om deze basisvergoeding door het verrichten van extra werkzaamheden te verhogen. Voorts is de Raad gebleken dat in de nieuwe situatie in de basisvergoeding een persoonlijke toeslag was opgenomen, waarvan uit de in hoger beroep ingebrachte stukken is gebleken dat deze was opgenomen in die vergoeding in verband met de door de werkgever onderkende salarisachteruitgang van appellant. Hoewel op grond van de voorhanden zijnde gegevens niet de absolute salarisachteruitgang kan worden vastgesteld, ziet de Raad in die gegevens genoegzaam steun voor het oordeel dat van een zodanig achteruitgang sprake is dat met betrekking tot het door de werkgever gedane aanbod van werkzaamheden niet kan worden gesproken van passende arbeid, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, dan wel ten derde, van de WW, in samenhang met artikel 24, vierde lid, van de WW. De Raad is daarbij van oordeel dat, voor zover nog twijfel bestaat over de omvang van de absolute salarisachteruitgang, deze twijfel niet ten nadele van appellant mag strekken.
5.2. Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat met betrekking tot het door de werkgever aangeboden werk niet kan worden gesproken van passende arbeid, als hierboven bedoeld, zodat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden. Derhalve komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in aanmerking voor vernietiging.
6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.