ECLI:NL:CRVB:2007:BA1866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging dienstverband
Appellant was sinds juni 2001 als timmerman werkzaam bij een werkgever en meldde zich begin 2004 ziek vanwege psychische klachten. Na gedeeltelijke hervatting en een bedrijfsongeval in juni 2004, waarbij hij zich opnieuw ziek meldde, verzocht de werkgever in mei 2004 toestemming voor ontslag. Deze toestemming werd door het CWI geweigerd. Na gesprekken met een arbeidsdeskundige werd in november 2004 overeengekomen de arbeidsovereenkomst per 1 december 2004 te beëindigen met een uitbetaling van twee maanden salaris.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die hem per besluit van maart 2005 werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De werkgever verzocht vervolgens de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2005, wat werd toegewezen. Een tweede aanvraag voor WW-uitkering werd eveneens geweigerd en het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij onnodig heeft meegewerkt aan de beëindiging van het dienstverband, terwijl voortzetting redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat onvoldoende gegevens zijn aangevoerd om tot een ander oordeel te komen. De Raad ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.