ECLI:NL:CRVB:2007:BA1881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WW-uitkering wegens niet lichtvaardig ontslag bij loonachterstand
Appellant was werkzaam bij een werkgever met wie hij een arbeidsovereenkomst had tot 25 december 2004, maar hij beëindigde deze dienstbetrekking per 20 oktober 2004 vanwege achterstallige loonbetalingen sinds 6 september 2004. Vervolgens trad hij in dienst bij een andere werkgever voor een kortere periode. Het UWV weigerde de WW-uitkering over de periode na 15 november 2004 omdat appellant volgens hen verwijtbaar zijn dienstbetrekking had verbroken zonder geldige reden.
De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant lichtvaardig was geweest met het beëindigen van zijn dienstverband, omdat hij pas op 12 november 2004 schriftelijk een loonclaim had ingediend en de werkgever nog niet failliet was verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter anders.
De Raad stelde dat gezien de loonachterstand vanaf 6 september 2004, het feit dat appellant nog tot 20 oktober 2004 werkte zonder zicht op voortzetting, en de onzekerheid over toekomstige loonbetalingen, het beëindigen van de dienstbetrekking niet lichtvaardig was. Daarmee was sprake van een niet verwijtbare reden voor ontslag. Het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd en het UWV werd opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot terugbetaling van betaalde griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat het ontslag niet lichtvaardig was.