ECLI:NL:CRVB:2007:BA1926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet-gelijkgestelde vreemdeling
Betrokkene, een Marokkaanse nationaliteit houdende vrouw, beschikte over een verblijfsvergunning tot 23 december 2003, gebonden aan verblijf bij haar echtgenoot. Na het verlaten van haar echtgenoot in oktober 2003 werd haar machtiging tot voorlopig verblijf ingetrokken in januari 2004. Zij diende in juni 2004 een aanvraag in voor verlenging van haar verblijfsvergunning en een aanvraag om bijstand.
De aanvraag tot verlenging werd afgewezen en dit besluit werd in hoger beroep gehandhaafd. De aanvraag om bijstand werd eveneens afgewezen omdat betrokkene niet rechtmatig in Nederland verbleef volgens de Wet werk en bijstand (WWB). De rechtbank had dit besluit vernietigd en bepaald dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De gemeente Rotterdam stelde zich op het standpunt dat de aanvraag tot verlenging niet tijdig was ingediend en dat betrokkene daarom niet als met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling kon worden beschouwd. De Raad bevestigde dit en oordeelde dat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 11 WWB Pro en het Besluit gelijkstelling, omdat zij niet voor het einde van haar oorspronkelijke verblijfsvergunning een aanvraag tot voortgezet verblijf had ingediend.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en vernietigde het besluit van 1 augustus 2006 voor zover het haar betrof. Hierdoor had betrokkene geen recht op bijstand op grond van de WWB.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat zij geen met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling was en geen recht op bijstand had.