ECLI:NL:CRVB:2007:BA1972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onjuiste medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante, die sinds 1996 wegens nek-, rug- en psychische klachten arbeidsongeschikt is, kreeg na een medische en arbeidskundige beoordeling haar WAO-uitkering ingetrokken per 31 augustus 2003. De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies waarop de schatting was gebaseerd binnen de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vielen. In hoger beroep benadrukte appellante de ernst van haar rugklachten, maar de Raad onderschreef het oordeel dat de toename van klachten na maart 2004 niet relevant was voor de beoordeling per 31 augustus 2003.
De Raad vond de arbeidskundige onderbouwing van het besluit passend, ondanks dat een bezwaararbeidsdeskundige een functie ongeschikt achtte vanwege belastbaarheid. De overige functies boden voldoende grondslag voor de schatting van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Wel oordeelde de Raad dat het bestreden besluit strijdig was met de Awb wegens onvoldoende onderbouwing in de beroepsfase, waardoor het besluit en de eerdere uitspraak werden vernietigd.
Omdat de noodzakelijke onderbouwing alsnog werd gegeven, konden de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2007.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.