ECLI:NL:CRVB:2007:BA2008

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2210 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als taxi-chauffeur, viel uit wegens een polsblessure en ontwikkelde vermoeidheidsklachten. Na de wachttijd van 52 weken weigerde het UWV een WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel de rechtbank als de Raad bevestigden deze beslissing.

De medische beoordeling door verzekeringsartsen concludeerde dat appellante beperkt belastbaar is voor zwaardere lichamelijke arbeid en werkzaamheden die concentratie vereisen. Diverse medische rapporten, waaronder van een neuroloog, longarts en orthopedisch chirurg, gaven geen aanleiding tot twijfel aan deze beoordeling. Nieuwe medische informatie over artrose was niet relevant voor de beoordelingsdatum.

De Raad oordeelde dat appellante de functies die aan haar zijn toegerekend, met inachtneming van haar belastbaarheid, kan verrichten. Het UWV had voldoende gemotiveerd dat deze functies haar belastbaarheid niet te boven gaan en dat er geen verlies aan verdiencapaciteit is. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/2210 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 maart 2005, 04/872 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Voor appellante is verschenen mr. Piternella. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als taxi-chauffeur toen zij op 5 november 2002 uitviel met een scheurtje in haar linkerpols. Daarna ontwikkelde zij vermoeidheidsklachten. Na het bereiken van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken weigerde het Uwv bij besluit van 3 november 2003 appellante met ingang van 31 oktober 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat appellante op dat moment minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 november 2003 verklaarde het Uwv ongegrond bij besluit van 18 maart 2004 (het bestreden besluit). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep heeft appellante haar eerder in de bezwaar- en beroepsprocedure ingenomen standpunt herhaald dat zij in het geheel geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft.
De Raad overweegt als volgt.
In het kader van de medische beoordeling bij het einde van de wachttijd heeft een verzekeringsarts aangenomen dat appellante beperkt belastbaar is voor zwaardere lichamelijke arbeid en voor werkzaamheden waarbij een goede concentratie is vereist. In haar rapport van 8 oktober 2003 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat appellante voor de vermoeidheidsklachten uitvoerig is onderzocht door een internist en een longarts en dat zij zal worden onderzocht door een neuroloog. Tot dat moment is geen lichamelijke oorzaak voor de vermoeidsheidsklachten van appellante gevonden. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat wel sprake is van consistentie in de klachten, een stoornis en beperkingen, echter niet in die mate waarin appellante zich dat voorstelt. De verzekeringsarts heeft tevens de in het kader van de reïntegratie-activiteiten van de arbodienst ontvangen informatie bestudeerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien voor aanpassing van de door de verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in beroep door appellante in geding gebrachte brieven van neuroloog H. Wouters van 14 november 2003 en 16 december 2004, waaruit blijkt dat appellante niet lijdt aan een slaapapneusyndroom, maar tijdens haar slaap wel veel beenbewegingen maakt, geduid als het P.L.M. syndroom, dat zij goed heeft gereageerd op de voorgeschreven medicatie en dat zij uit controle van de neuroloog is ontslagen, geen aanleiding geven voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen.
In hoger beroep heeft appellante nog verklaringen in geding gebracht van haar longarts dr. A.J.M. van Boxem en haar orthopedisch chirurg E.L. Hoffman. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat deze informatie eveneens geen aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van de eerder vastgestelde FML. Met de vermoeidheidsklachten van appellante, die mogelijk samenhangen met slaapproblemen, is rekening gehouden bij de vaststelling van de FML. De informatie van Van Boxem, waaruit wellicht achteraf beter kan worden vastgesteld wat destijds mogelijk de oorzaak van die slaapproblemen was, geeft geen aanleiding voor het aannemen van meer beperkingen ten gevolge van de slaapproblemen. Uit de informatie van Hoffman van 18 januari 2007 blijkt dat appellante inmiddels ook bekend is met artrose van haar knie. Dit nieuwe en niet eerder bekende gegeven heeft geen betrekking op de datum in geding en kan dus voor de onderhavige medische beoordeling geen betekenis hebben.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.
Met inachtneming van de voor appellante geldende belastbaarheid moet zij in staat worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. Het Uwv heeft reeds in de bezwaarfase op afdoende wijze gemotiveerd dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Het mediaanloon in deze functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante, laat geen verlies aan verdiencapaciteit zien, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) W.R. de Vries.
JL