ECLI:NL:CRVB:2007:BA2183

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3597 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vergoeding aanschaf auto voor oorlogsgetroffene wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, een oorlogsgetroffene geboren in 1939, diende een aanvraag in voor vergoeding van aanschafkosten van een auto. Deze aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen op grond dat appellant geen totale beperking heeft om met het openbaar vervoer te reizen, waardoor een medische noodzaak ontbrak.

Na bezwaar en een eerdere vernietiging van een besluit wegens onvoldoende zorgvuldigheid, nam verweerster een nieuw besluit waarbij de aanvraag opnieuw werd afgewezen. Dit besluit was gebaseerd op een medisch advies van een geneeskundig adviseur, ondersteund door een psychiatrisch onderzoek.

Appellant voerde aan dat hij geen gebruik kan maken van openbaar vervoer of taxi en dat het stellen van nadere vragen aan de psychiater onzorgvuldig was. De Raad oordeelde echter dat het stellen van nadere vragen aan medici toegestaan is voor een zorgvuldig oordeel en dat het besluit zorgvuldig en gemotiveerd is genomen.

De Raad vond geen aanleiding om het standpunt van verweerster onjuist te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van de vergoeding voor een auto is ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/3597 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 22 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 8 juni 2006, kenmerk BJZ/2006, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Daar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde
mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M.Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1939, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Met betrekking tot de bij appellant aanwezige psychische klachten, hoge bloeddruk en nieraandoening is door verweerster een verband met de vervolging aanvaard.
Een door appellant in april 2003 bij verweerster ingediende aanvraag om vergoeding van de aanschafkosten van een auto heeft verweerster op beleidsmatige gronden afgewezen bij besluit van 29 januari 2004. Hierbij is overwogen dat bij appellant geen, in zijn causale psychische klachten gelegen, totale beperking bestaat om met het openbaar vervoer te reizen zodat een medische noodzaak voor de gevraagde voorziening ontbreekt. Na tegen dat besluit gemaakt bezwaar heeft verweerster de afwijzing gehandhaafd bij het besluit van 8 juli 2004.
De Raad heeft het namens appellant tegen het besluit van 8 juli 2004 ingediende beroep bij zijn uitspraak van 24 november 2005, nr. 04/4020 WUV, gegrond verklaard. Daartoe heeft de Raad overwogen dat - samengevat - gegeven de omstandigheden het verweerster niet vrij stond tot het nemen van een beleidsmatige beslissing, maar dat het op haar weg had gelegen, gezien de twijfels omtrent de ingebrachte medische gegevens, de kwestie ter nader onderzoek en beoordeling voor te leggen aan een externe psychiater. De Raad was dan ook van oordeel dat het besluit van 8 juli 2004 niet met de nodige zorgvuldigheid was genomen en heeft dat besluit vernietigd. Voorts heeft de Raad bepaald dat verweerster een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van hetgeen in zijn uitspraak is overwogen.
Bij het ter uitvoering van die uitspraak genomen, thans bestreden besluit, heeft verweerster onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 20 en 21 van de Wet de gevraagde voorziening ter zake van de aanschaf van een auto wederom afgewezen, op de grond - samengevat - dat het voor appellant mogelijk is gebruik te maken van een taxi alsmede van (bepaalde vormen van) het openbaar vervoer. Het standpunt van verweerster is in overeenstemming met het advies van haar geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager. Dit advies berust op het rapport van een op verzoek van verweerster door de psychiater H.S.R. Witte ingesteld onderzoek van appellant en diens reactie op de door genoemde geneeskundig adviseur nader gestelde vragen.
Namens appellant is de zienswijze van verweerster in beroep bestreden, aanvoerend dat uit de rapportage van de psychiater H.S.R. Witte naar voren komt dat appellant geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer waaronder de taxi. Voorts is gesteld dat, ter voorkoming van beïnvloeding van de resultaten van een onderzoek, het de geneeskundig adviseur niet vrij stond om na ontvangst van het rapport van de psychiater H.S.R. Witte deze psychiater nog nadere vragen te stellen.
De Raad is van oordeel dat verweerster met het thans bestreden besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan zijn bovengenoemde uitspraak.
Hierbij overweegt de Raad dat daar waar een (medisch) rapport onduidelijkheden oproept het verweerster vrij staat om, teneinde tot een zorgvuldig oordeel te kunnen komen, de medicus een nadere toelichting te vragen. Dat in dit geval met de nadere vraagstelling niet de vereiste zorgvuldigheid is betracht is de Raad niet gebleken.
Gezien het voorgaande acht de Raad het bestreden besluit op grond van de genoemde medische rapportage dan ook deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
In de voorhanden medische gegevens en andere gegevens heeft de Raad voorts geen aanknopingspunt gevonden om het door verweerster aan deze rapportage ontleende standpunt onjuist te achten. Uit die gegevens komt naar voren dat appellant onder begeleiding en eventueel met aanvullende rustgevende medicatie gebruik kan maken van het openbaar vervoer en taxi, zodat niet gesproken kan worden van een absolute verhindering zoals door verweerster als uitgangspunt wordt gehanteerd in geval van aanvragen als de onderhavige. Dat verweerster het begrip absolute verhindering strikt wenst uit te leggen, past binnen de door de Raad onderschreven visie op de reikwijdte van de artikelen 20 en 21 van de Wet in geval van aanvragen als de onderhavige.
Het voorgaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.