ECLI:NL:CRVB:2007:BA2283

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3188 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergoeding medische kosten gehoorklachten vervolgingsslachtoffer

Appellant, een vervolgingsslachtoffer geboren in 1923, heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin vergoeding voor medische kosten in verband met gehoorklachten werd geweigerd. Hoewel appellant al sinds 1980 een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, werden de gehoorklachten pas op 82-jarige leeftijd gemeld.

Medische gegevens tonen aan dat de gehoorklachten het gevolg zijn van degeneratieve processen en dat het tijdsverloop tussen de vervolging en het optreden van de klachten te lang is om een causaal verband aan te nemen. Appellant voerde aan dat de klachten het gevolg waren van mishandeling tijdens de oorlog, maar hiervoor is geen bewijs gevonden.

Daarnaast werd het bezwaar over rugklachten niet-ontvankelijk verklaard omdat het primaire besluit hierover niet handelde. De Raad concludeert dat het bestreden besluit in stand kan blijven en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van vergoeding voor medische kosten gehoorklachten blijft gehandhaafd.

Uitspraak

06/3188 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 22 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 januari 2006, kenmerk JZ/Y70/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellant is niet verschenen en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1923, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aan hem zijn met ingang van 1 september 1980 op grond van de Wet een periodieke uitkering en meermalen voorzieningen toegekend.
In april 2005 heeft appellant een aanvraag ingediend voor voorzieningen op grond van de Wet. Bij besluit van 26 augustus 2005 zijn voorzieningen toegekend in verband met de psychische klachten van appellant, waarvan is aangenomen dat die in causaal verband staan met de vervolging. Bij dit besluit is, voor zover hier van belang, geweigerd een vergoeding te verstrekken voor medische kosten in verband met gehoorklachten, welke weigering na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit. Voorts is het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dit betrekking had op de door appellant aangevoerde rugklachten.
In dit geding is aan de orde de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant pas op de leeftijd van 82 jaar bij verweerster melding heeft gemaakt van gehoorklachten. Uit de medische gegevens waarop het bestreden besluit is gebaseerd blijkt dat is aangenomen dat aan die klachten degeneratieve processen ten grondslag liggen en dat ook gezien het tijdsinterval tussen het tot uiting komen van de gehoorklachten en de vervolging geen verband met de vervolging kan worden aanvaard. Van de zijde van appellant zijn een groot aantal medische gegevens in het geding gebracht, maar hieronder bevinden zich geen gegevens die aan de juistheid van het standpunt van verweerster ten aanzien van de gehoorklachten doen twijfelen. Voor het standpunt van appellant dat zijn gehoorklachten te wijten zijn aan mishandeling met een baseballbat tijdens de oorlog is geen steun in de voorhanden zijnde gegevens te vinden.
Ten aanzien van de rugklachten overweegt de Raad dat het primaire besluit daarover niet handelde, zodat het bezwaar in zoverre terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.