ECLI:NL:CRVB:2007:BA2342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dagloonbepaling WAO op basis van laatst vervulde functie als conciërge
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn WAO-dagloon moest worden gebaseerd op zijn vroegere functie als chef de bureau/administrateur, die hij van 1964 tot 1992 heeft uitgeoefend, en niet op zijn laatste functie als conciërge. Hij betoogde dat de conciërgefunctie een noodgedwongen, laagbetaalde vrijwilligersbaan was en dat hij zich gestraft voelde voor zijn dienstbaarheid.
De Raad oordeelde dat de band met de vroegere functie sinds eind 1992 was verbroken en niet meer was hersteld. De functie van conciërge had appellant gedurende ruim 6,5 jaar tegen reguliere loonbetaling uitgeoefend en moest worden beschouwd als reguliere, bestendige arbeid. Volgens de toepasselijke regelgeving en jurisprudentie geldt het dervingsprincipe, waarbij de laatst vervulde functie als uitgangspunt voor de dagloonbepaling wordt genomen.
De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Ook de positieve arbeidsmarktopstelling van appellant bood geen onomstotelijk bewijs dat hij gericht had nagestreefd om terug te keren in een hogere functie. Gezien de toegenomen eisen en het ontbreken van structurele bijscholing en sollicitatieactiviteiten op niveau, was een terugkeer niet zonder meer te verwachten.
Ten slotte kent de regelgeving geen garantieregeling die na een langdurige onderbreking van circa tien jaar terugkeer naar een vroeger hogere functie garandeert voor de WAO-dagloonbepaling. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WAO-dagloon terecht is vastgesteld op basis van de laatst vervulde functie als conciërge.