ECLI:NL:CRVB:2007:BA2408

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-130 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:30 AwbArt. 8:31 AwbArt. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken medische onderbouwing

Appellante meldde zich ziek met psychische klachten terwijl zij een WW-uitkering ontving. Het UWV stelde op basis van medische beoordelingen van verzekeringsartsen vast dat zij niet arbeidsongeschikt was en weigerde ziekengeld. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, mede omdat appellante niet meewerkte aan een door de rechtbank benoemde onafhankelijke psychiatrische deskundige.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege haar fysieke, psychische en financiële situatie niet in staat was het spreekuur van de deskundige te bezoeken, maar bezocht wel de spreekuren van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De Raad overwoog dat de rechtbank terecht oordeelde dat er geen medische gronden waren om het niet verschijnen te rechtvaardigen en dat het ontbreken van nieuwe medische gegevens het standpunt van appellante onvoldoende onderbouwde.

De Raad concludeerde dat appellante geen recht had op ziekengeld vanaf 29 oktober 2003 omdat zij niet ongeschikt was voor arbeid. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarbij de Raad geen aanleiding zag om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing en het niet meewerken aan het deskundigenonderzoek.

Uitspraak

05/130 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 november 2004, 04/149 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. A. Flierman hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Wielinga.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft zich op 10 februari 2003 met psychische klachten ziek gemeld. Zij ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Haar laatstelijk verrichte maatgevende arbeid was facilitair medewerkster in een verzorgingshuis voor 36 uur per week. Verzekeringsarts J.H. Zeilstra heeft appellante op 27 oktober 2003 op zijn spreekuur gezien en haar, nadat hij had vastgesteld dat geen sprake was van een psychiatrische ziekte, geschikt geacht voor haar arbeid. Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij met ingang van die datum geen recht heeft op ziekengeld.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 december 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op het rapport van bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms, die appellante eveneens op zijn spreekuur heeft gezien en het oordeel van verzekeringsarts Zeilstra, dat geen sprake is van een psychiatrische ziekte, heeft bevestigd.
De rechtbank heeft psychiater F.M.J. Woonings te Leeuwarden als onafhankelijke deskundige benoemd. Woonings heeft de rechtbank bericht niet aan het verzoek te kunnen voldoen aangezien hem is gebleken dat appellante alleen thuis wilde worden onderzocht, terwijl Woonings de thuissituatie van appellante geen geschikte plek vindt voor het verrichten van het door de rechtbank verzochte onderzoek.
Aangezien naar het oordeel van de rechtbank de beschikbare medische gegevens geen aanleiding geven om te twijfelen aan de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Storms, heeft zij het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat eiseres in beroep geen nadere medische gegevens heeft overgelegd waaruit zou blijken dat het standpunt van het Uwv onjuist zou zijn. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in het kader van het vooronderzoek haar medische situatie te laten beoordelen, terwijl de rechtbank niet is gebleken dat eiseres wegens medische redenen niet in staat is geweest alleen of in gezelschap van haar dochter of een derde bij de deskundige te verschijnen.
De rechtbank hecht in dat kader eveneens aan het feit dat zij wel in staat was om het spreekuur van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts te bezoeken.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat, nu zij al eerder heeft aangegeven wegens haar fysieke, psychische en financiële situatie niet in staat te zijn om naar het spreekuur van deskundige Woonings te komen, uit het feit dat zij het spreekuur van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft bezocht, niet per definitie de conclusie kan worden getrokken dat zij in staat was medewerking te verlenen aan het deskundigenonderzoek.
De Raad overweegt het volgende.
Nu de rechtbank een psychiatrische expertise nodig heeft geacht, kan de Raad de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding geven om te twijfelen aan de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Storms.
Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Op grond van artikel 8:30 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn partijen verplicht om medewerking te verlenen aan een deskundigenonderzoek. Op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb kan de rechtbank uit het niet verschijnen van een partij bij de deskundige de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
De Raad stelt vast dat de rechtbank appellante nadrukkelijk heeft gewezen op het bepaalde in artikel 8:31 van Pro de Awb en is van oordeel dat appellante, nu zij niet door middel van een medische verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat was om de door de rechtbank benoemde deskundige te bezoeken, geen deugdelijke grond heeft aangevoerd om niet mee te werken aan het onderzoek. De Raad maakt daaruit, met toepassing van artikel 8:31 van Pro de Awb, de gevolgtrekking dat twijfel aan de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Storms niet ten gunste van appellante zal worden uitgelegd. Gelet daarop houdt de Raad het ervoor dat, nu appellante ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt, op de datum in geding geen sprake was van een ziekte of gebrek in de zin van de Ziektewet, dat appellante derhalve op en na 29 oktober 2003 niet ongeschikt was voor haar arbeid, en geen recht heeft op ziekengeld.
De aangevallen uitspraak komt onder verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) W.R. de Vries.
MK