ECLI:NL:CRVB:2007:BA2759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening AOW-pensioen bij gezamenlijke huishouding en terugwerkende kracht
Betrokkene ontving vanaf 1 maart 1996 AOW-pensioen volgens de ongehuwdennorm. Na onderzoek naar haar woon- en leefsituatie, waarbij bleek dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar broer, herzag de Sociale verzekeringsbank het pensioen met ingang van 1 januari 2000 naar de gehuwdennorm. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze herziening.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene haar informatieplicht niet had nageleefd, maar dat zij het inlichtingenformulier in 2003 correct had ingevuld en niet kon onderkennen dat het pensioen te hoog was vastgesteld. Daarom was herziening met terugwerkende kracht tot 2000 in strijd met het beleid van de Sociale verzekeringsbank.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel voor zover het appellant opdraagt een nieuw besluit te nemen en verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 2006 ongegrond. De Raad bevestigt dat betrokkene redelijkerwijs had kunnen onderkennen dat zij teveel pensioen ontving en dat de beperking van de terugwerkende kracht tot de helft van de periode gerechtvaardigd is vanwege het beleid en bijzondere omstandigheden.
De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--. De uitspraak bevestigt het belang van de informatieplicht, het beleid rond terugwerkende kracht en de redelijkheidstoets bij herziening van AOW-pensioenen.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen met beperkte terugwerkende kracht is terecht en het beroep tegen het besluit van 29 november 2006 wordt ongegrond verklaard.