ECLI:NL:CRVB:2007:BA2782

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4196 WWB.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid Raad voor de Rechtspraak bij hoger beroep in WWB-zaken

Appellant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen een afwijzing van bijzondere bijstand. De rechtbank verwees naar een eerdere onherroepelijke uitspraak over vergelijkbare kosten.

De Centrale Raad van Beroep had zich eerder onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep tegen deze uitspraak, omdat volgens artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb tegen dergelijke uitspraken geen hoger beroep mogelijk is. De Raad overwoog echter dat in evidente gevallen van schending van fundamentele rechtsbeginselen het appèlverbod kan worden doorbroken.

De Raad concludeert dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden gezegd dat hij kennelijk onbevoegd is. Daarom verklaart hij het verzet gegrond en stelt hij dat nader onderzoek moet plaatsvinden naar de rechtvaardiging van het doorbreken van het appèlverbod, mede in het licht van artikel 6 EVRM Pro. De eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt voortgezet.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet; de eerdere onbevoegdheidsverklaring vervalt.

Uitspraak

06/4196 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 juli 2006, 05/838 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College).
Datum uitspraak: 29 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
10 oktober 2006 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennis te nemen.
Tegen voornoemde uitspraak heeft appellant verzet gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Bij uitspraak van 21 maart 2006 heeft de rechtbank na vereenvoudigde behandeling het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van het College van 24 maart 2005 zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand van 23 januari 2005 niet in behandeling te nemen. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar haar eerdere tussen partijen gewezen uitspraak van 30 december 2004, LJN AZ0923, en vastgesteld dat aan het thans aanhangige geding een aanvraag ten grondslag ligt die betrekking heeft op kosten die vergelijkbaar zijn met kosten waarover al eerder een onherroepelijk rechterlijk oordeel is gegeven.
Bij de aangevallen uitspraak van 5 juli 2006 is het verzet tegen de uitspraak van 21 maart 2006 ongegrond verklaard.
In zijn uitspraak van 10 oktober 2006 heeft de Raad zich kennelijk onbevoegd geacht om van het tegen de uitspraak van 5 juli 2006 ingestelde hoger beroep kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet, omdat de aangevallen uitspraak is gedaan met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb en tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Het karakter van de procedure die is neergelegd in artikel 8:54 van Pro de Awb brengt mee dat slechts in evidente gevallen van de aldaar gegeven bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. In dit verband is van belang dat voor kennisneming door de Raad van een hoger beroep in weerwil van artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet naar vaste rechtspraak grond kan bestaan, indien bij de totstandkoming van de aangevallen uitspraak sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.
Op grond van de thans beschikbare gegevens kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat hij kennelijk niet bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Of doorbreking van het appèlverbod in dit geval al dan niet gerechtvaardigd is, zal nader door de Raad moeten worden onderzocht mede in het licht van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het verzet dient daarom met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, derde lid, van de Awb gegrond te worden verklaard. Gegeven het bepaalde in het zevende lid van laatstbedoeld artikel vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Ten overvloede en ter voorlichting van appellant overweegt de Raad nog dat uit het vorenstaande niet reeds voortvloeit dat hij bevoegd is in hoger beroep van de zaak kennis te nemen. Het betekent slechts dat de bevoegdheid van de Raad in deze zaak nader moet worden bezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.N. Rijnsewijn.