ECLI:NL:CRVB:2007:BA2787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing WWB-uitkering wegens onvoldoende duidelijkheid woonplaats
Appellant vroeg op 11 mei 2005 een WWB-uitkering aan en gaf daarbij aan inwonend te zijn bij zijn broer in de gemeente IJsselstein. Het College bezocht op 7 juni 2005 onaangekondigd het opgegeven adres en stelde vast dat de woon- en leefsituatie van appellant onduidelijk was. Op 15 juni 2005 wees het College de aanvraag af en verklaarde bij besluit van 17 november 2005 het bezwaar ongegrond. De voorzieningenrechter handhaafde dit besluit.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant gedurende de relevante periode geen woonplaats in IJsselstein had. Het besluit van 17 november 2005 is daarom onvoldoende gemotiveerd en wordt vernietigd. De Raad laat echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn verblijfplaats.
Appellant verklaarde tijdens een gesprek op 13 juni 2005 dat hij op een matras in een kinderkamer sliep, geen huissleutel had en geen huur betaalde, wat de twijfel over zijn woonsituatie niet wegnam. Tevens heeft appellant niet meegewerkt aan een direct aansluitend huisbezoek, waardoor hij niet voldeed aan zijn medewerkings- en inlichtingenplicht. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van 17 november 2005 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.