ECLI:NL:CRVB:2007:BA2792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en rechtsgevolgen na vernietiging besluit UWV
Appellant meldde zich op 4 januari 2001 ziek met psychische klachten en ontving wachtgeld. Na medisch en arbeidskundig onderzoek kende het UWV op 28 juni 2002 een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het bezwaar van appellant werd door het UWV ongegrond verklaard op 9 september 2003. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit vanwege het ontbreken van hoor en motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat niet was gebleken dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de beperkingen van appellant.
In hoger beroep richtte appellant zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan de rapportages van verzekeringsarts Broekhuijsen en psychiater Sno, die psychische stoornissen vaststelden. De bezwaarbeoordeling door arts Waasdorp onderschreef deze bevindingen. Een aanvullend rapport van psychiater Frohn-De Winter bracht geen nieuwe inzichten. De Raad concludeerde dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst voldoende rekening was gehouden met de beperkingen.
Het UWV leverde pas in hoger beroep een deugdelijke toelichting op de schatting, waardoor toetsing mogelijk werd. De Raad bevestigde de vernietiging van het besluit, maar achtte het in stand laten van de rechtsgevolgen terecht. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde UWV-besluit worden in stand gelaten en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.