ECLI:NL:CRVB:2007:BA2805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over ziekengeld wegens onvoldoende belangenafweging
Appellante was sinds oktober 1997 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. In 2003 werd haar arbeidsongeschiktheid herzien naar 35-45%. Zij maakte bezwaar tegen het besluit dat haar vanaf 23 februari 2004 geen recht op ziekengeld toekende, omdat zij niet ongeschikt zou zijn voor haar werk. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat zij psychisch matig belastbaar was en niet ongeschikt voor het werk.
De rechtbank wees het beroep af, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat bij het bestreden besluit onvoldoende rekening was gehouden met de keelklachten die appellante had bij haar ziekmelding en dat de belangenafweging niet zorgvuldig was gemaakt. Hierdoor was het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb Pro genomen.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Raad achtte de medische beoordeling van de verzekeringsartsen over de psychische belastbaarheid wel juist, maar vond dat de keelklachten onvoldoende waren meegewogen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.