ECLI:NL:CRVB:2007:BA2821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante maakte bezwaar tegen verschillende besluiten van het UWV betreffende de intrekking van haar WAO-uitkering en de beëindiging van haar ziekengeld. Het UWV had haar ziekengeld per 13 oktober 2003 beëindigd omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Daarnaast weigerde het UWV een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was geweest.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering ongegrond en bevestigde het besluit tot beëindiging van het ziekengeld. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gezondheidstoestand van appellante op de datum van intrekking van de WAO-uitkering (18 maart 2003). Hierdoor ontbreekt een feitelijke medische grondslag voor het intrekkingsbesluit, zodat dit besluit niet kan standhouden.
De Raad bevestigt echter dat het besluit tot beëindiging van het ziekengeld op 13 oktober 2003 wel zorgvuldig is genomen en voldoende is gemotiveerd. Ook oordeelt de Raad dat appellante niet aan de wachttijdvereiste van 52 weken arbeidsongeschiktheid voldeed, zodat het weigeren van de WAO-uitkering terecht was.
De Centrale Raad vernietigt daarom het vonnis voor zover het de intrekking van de WAO-uitkering betreft en bevestigt het vonnis voor het overige. Het UWV wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, het besluit tot beëindiging van het ziekengeld bevestigd, en het UWV veroordeeld tot proceskostenvergoeding.