ECLI:NL:CRVB:2007:BA2944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte nabestaandenuitkering bij beëindiging gezamenlijke huishouding en zorg voor hulpbehoevende partner
Betrokkene ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) nadat zij jarenlang een gezamenlijke huishouding voerde met een hulpbehoevende partner. Na beëindiging van deze huishouding vroeg zij een volledige uitkering toe te kennen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af, omdat volgens hen de huishouding niet tijdig was beëindigd.
De rechtbank vernietigde het besluit van de Svb en oordeelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de bijzondere omstandigheden, zoals de zorg voor de hulpbehoevende partner en de beperkte mogelijkheden voor betrokkene om passende woonruimte te vinden. De rechtbank vond dat toepassing van artikel 67, derde lid, van de Anw in dit geval tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.
De Svb ging in hoger beroep, stellende dat het criterium van artikel 67, derde lid, gelijk moest worden gesteld aan dat van artikel 16, vierde lid, van de Anw. De Centrale Raad van Beroep bevestigde echter de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de Svb een nieuw besluit moet nemen waarbij de zorg voor de hulpbehoevende partner en de omstandigheden rond het vinden van woonruimte zwaar moeten meewegen.
De Raad veroordeelde de Svb tevens tot betaling van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. De uitspraak benadrukt het belang van maatwerk bij de toepassing van de hardheidsclausule in de Algemene nabestaandenwet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit van de Sociale verzekeringsbank en gelast een nieuw besluit waarbij rekening wordt gehouden met de zorg voor de hulpbehoevende partner.