ECLI:NL:CRVB:2007:BA2970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie en verwijtbaar werkloos worden
Appellante was sinds 1983 werkzaam als kapster en had een arbeidsovereenkomst voor 14 uur per week. Na een echtscheiding vroeg zij haar werkgever om een pro forma contract van 35 uur, terwijl zij feitelijk minder wilde werken. Dit leidde tot een conflict en uiteindelijk tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2004 via de kantonrechter.
Appellante vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden door haar gedrag en onvoldoende had gesolliciteerd tijdens haar vrijstelling van werkzaamheden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit van het UWV.
De Raad oordeelde dat appellante haar sollicitatieplicht niet was nagekomen en dat haar psychische klachten onvoldoende aannemelijk maken dat haar gedrag haar niet of slechts in verminderde mate kan worden verweten. Appellante had moeten begrijpen dat haar gedrag tot ontslag zou leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie en verwijtbaar werkloos worden.