ECLI:NL:CRVB:2007:BA3088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering uitbetaling vertrekpremie na ontslag aan Universiteit van Amsterdam
Appellant, voormalig medewerker van de Universiteit van Amsterdam, verzocht om uitbetaling van een vertrekpremie in het kader van een beëindigingsregeling na zijn ontslag per 1 december 2002. De Universiteit weigerde deze uitbetaling, stellende dat er geen overeenkomst was die dit rechtvaardigde. Nadat het bezwaar van appellant tegen deze weigering ongegrond werd verklaard door het college, stelde appellant beroep in bij de rechtbank, dat werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde appellant dat het besluit van 16 juni 2003 niet als een formeel besluit kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van een bezwaarclausule en de onduidelijkheid over wie het besluit nam. De Raad oordeelde echter dat het hier wel degelijk ging om een bestuursbesluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen dit besluit, was het in rechte onaantastbaar geworden.
Appellant diende vervolgens een nieuw verzoek in op 6 november 2003, maar bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die een heroverweging rechtvaardigden. De Raad bevestigde dat het college op grond van artikel 4:6 Awb Pro terecht het verzoek kon afwijzen. Klachten over de bevoegdheid van de directeur en de onafhankelijkheid van de bezwarencommissie werden eveneens verworpen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd dan ook bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om de uitbetaling van de vertrekpremie te weigeren en verklaart het beroep ongegrond.