ECLI:NL:CRVB:2007:BA3088

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5379 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3 Standaardmandaat Bedrijfsvoering UvAArt. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering uitbetaling vertrekpremie na ontslag aan Universiteit van Amsterdam

Appellant, voormalig medewerker van de Universiteit van Amsterdam, verzocht om uitbetaling van een vertrekpremie in het kader van een beëindigingsregeling na zijn ontslag per 1 december 2002. De Universiteit weigerde deze uitbetaling, stellende dat er geen overeenkomst was die dit rechtvaardigde. Nadat het bezwaar van appellant tegen deze weigering ongegrond werd verklaard door het college, stelde appellant beroep in bij de rechtbank, dat werd afgewezen.

In hoger beroep betoogde appellant dat het besluit van 16 juni 2003 niet als een formeel besluit kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van een bezwaarclausule en de onduidelijkheid over wie het besluit nam. De Raad oordeelde echter dat het hier wel degelijk ging om een bestuursbesluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen dit besluit, was het in rechte onaantastbaar geworden.

Appellant diende vervolgens een nieuw verzoek in op 6 november 2003, maar bracht geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die een heroverweging rechtvaardigden. De Raad bevestigde dat het college op grond van artikel 4:6 Awb Pro terecht het verzoek kon afwijzen. Klachten over de bevoegdheid van de directeur en de onafhankelijkheid van de bezwarencommissie werden eveneens verworpen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd dan ook bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om de uitbetaling van de vertrekpremie te weigeren en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

05/5379 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2005, 04/2624 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 22 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. de Vries, werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was sedert 1 december 1998 werkzaam als [naam functie] van de Universiteit van Amsterdam (hierna: UvA). Er zijn in verband met het voornemen hem te ontslaan onderhandelingen gevoerd tussen hem en de directeur van het [naam centrum] over een beëindigingsregeling, waarvan onder meer een vertrek-premie deel uitmaakte indien appellant vóór
1 januari 2003 een nieuwe functie zou hebben aanvaard. Uiteindelijk is appellant per 1 december 2002 ontslag verleend. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.
1.2. Bij brief van 5 juni 2003 heeft de toenmalige gemachtigde van appellant zich gewend tot de directeur [naam centrum] met het verzoek om tot uitbetaling van de vertrekpremie over te gaan. Daarop is bij brief van 16 juni 2003 door de directeur [naam centrum] afwijzend beslist, onder de overweging dat geen overeenkomst tot stand was gekomen die als basis kan dienen voor het uitbetalen van een vertrekpremie.
1.3. Bij brief van 6 november 2003 heeft de huidige gemachtigde van appellant zich tot de directeur [naam centrum] gewend en onder meer verzocht om tot uitbetaling van de vertrekpremie over te gaan. Bij besluit van 13 november 2003 is appellant, onder verwijzing naar de afwijzende beslissing van 16 juni 2003, medegedeeld dat geen aanleiding bestond daarop terug te komen. Het college heeft bij besluit van 7 mei 2004 het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Appellant betoogt dat de brief van 16 juni 2003 door het college ten onrechte is aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uit die brief blijkt immers niet dat de directeur [naam centrum] namens het college op het verzoek van 5 juni 2003 heeft beslist en bovendien bevat die brief geen bezwaar-clausule.
3.2. De Raad erkent dat aan de brief van 16 juni 2003 de door appellant geconstateerde gebreken kleven. Ondanks deze gebreken is de Raad van oordeel dat het hier gaat om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende (de weigering van) een publiekrechtelijke rechtshandeling, en derhalve om een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb. In de brief is immers duidelijk en zonder enig voorbehoud vermeld dat niet tot uitbetaling van de in het kader van de beëindiging van de ambtelijke aanstelling gevraagde vertrekpremie zal worden overgegaan. Dat onvermeld is gebleven dat de beslissing namens het college is genomen, neemt niet weg dat uit de context van het verzoek en de beslissing blijkt dat zulks wel bedoeld was. Dat in de brief niet is vermeld dat daartegen bezwaar gemaakt kan worden, doet aan het besluitkarakter van de brief evenmin af.
3.3. De Raad constateert vervolgens dat tegen het aan de toenmalige gemachtigde van appellant toegezonden besluit van 16 juni 2003 indertijd geen bezwaar is gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent voorts dat het verzoek van 6 november 2003 moet worden gezien als een verzoek om terug te komen van dit besluit.
3.4. In artikel 4:6 van Pro de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
3.5. In de brief van 6 november 2003 heeft de huidige gemachtigde van appellant echter geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb naar voren gebracht. Gelet hierop komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijzend op het verzoek van appellant te beslissen.
3.6. De grief van appellant dat de rechtbank niet is ingegaan op twee door hem in beroep aangeduide gebreken die kleven aan het bestreden besluit treft doel, doch gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
3.6.1. Dat de directeur [naam centrum] niet bevoegd was het college in de bezwaarprocedure te vertegenwoordigen kan - anders dan appellant betoogt - niet uit de in artikel 3, achttiende lid, van het Standaardmandaat Bedrijfsvoering UvA genoemde uitzondering op de beschikkingsbevoegdheid van de mandataris worden afgeleid. Appellant is naar aanleiding van zijn bezwaar gehoord door een ambtelijke commissie. De bevoegdheid van de directeur [naam centrum] om het college bij deze hoorzitting te vertegenwoordigen vloeit voort uit diens bevoegdheid om namens het college op een verzoek als hier aan de orde te beslissen. Met het college is de Raad van oordeel dat de in het hiervoor genoemde artikel 3, achttiende lid, onder meer genoemde juridische procedures externe procedures betreffen en niet de vertegenwoordiging van het college bij een interne bezwarencommissie.
3.6.2. Met de klacht dat de voorzitter van de bezwarencommissie niet onafhankelijk was, als bedoeld in artikel 12.7 van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO-NU) in verbinding met artikel 7:13 van Pro de Awb, gaat appellant eraan voorbij dat blijkens de bewoordingen bedoeld artikel van de CAO-NU slechts ziet op de beslissing op bezwaar tegen een ontslagbesluit en niet op de behandeling van een bezwaar als het onderhavige, dat een financiële aanspraak na verleend ontslag betreft.
3.8. Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, deels met aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd.
3.9. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, utgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) O.C. Boute.