ECLI:NL:CRVB:2007:BA3156

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5649 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens verzuim gronden niet tijdig indienen

Appellante heeft tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage hoger beroep ingesteld, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden waarop het beroep berust niet tijdig waren ingediend. Ondanks de mogelijkheid om dit verzuim te herstellen, heeft appellante niet binnen de gestelde termijn de gronden alsnog ingediend.

Appellante heeft hiertegen verzet gedaan, maar de Centrale Raad van Beroep heeft tijdens de zitting op 10 april 2007 geen redenen gevonden die het verzuim kunnen verontschuldigen. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

De Raad bevestigt het eerdere oordeel dat het verzuim niet kan worden tegengeworpen en verklaart het verzet ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep.

Uitspraak

06/5649 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 augustus 2006, 05/979 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 17 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 23 januari 2007 heeft de Raad het namens appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft mr. M.J. Post, advocaat te ’s-Gravenhage, namens appellante verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Post. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 23 januari 2007 berust hierop, dat het ingediende beroepschrift niet de gronden bevat waarop het hoger beroep berust, en dat de gemachtigde van appellante, nadat zij de gelegenheid kreeg dit verzuim te herstellen, niet binnen de door de griffier van de Raad gestelde termijn, de gronden heeft ingediend; van redenen die een verontschuldiging zouden kunnen vormen voor dit verzuim is niet gebleken.
In geding is de vraag of het hoger beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift en ter zitting is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.