ECLI:NL:CRVB:2007:BA3162

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2427 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepassing uitsluitingsbepaling WAO bij arbeidsongeschiktheid binnen half jaar na indiensttreding

De werkneemster trad op 1 juni 2001 in dienst bij appellante en viel op 22 juni 2001 wegens ziekte uit. Het UWV kende haar op 29 oktober 2002 een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Appellante maakte bezwaar tegen deze toekenning en stelde dat het UWV de arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing had moeten laten op grond van artikel 30, eerste lid, onder b, van de WAO, omdat de arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na aanvang van de verzekering was ingetreden en de gezondheidstoestand dit had moeten doen verwachten.

Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank Breda bevestigde dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat alleen toepassing kan worden gegeven aan deze uitsluitingsbepaling indien uit de gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering met grote mate van zekerheid kan worden afgeleid dat arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar zal intreden. In dit geval ontbraken objectieve gegevens waaruit dit bleek. De werkneemster was vooraf medisch gekeurd en als arbeidsgeschikt verklaard met enkele fysieke beperkingen die haar werk niet belemmerden. Psychische klachten openbaarden zich pas later en de ziekmelding was aanvankelijk wegens een verkoudheid.

De Raad concludeerde dat de uitsluitingsbepaling niet van toepassing was en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Spaas en leden Schoor en Rottier op 17 april 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot toekenning van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/2427 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 maart 2005, 03/1491 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Aan het geding heeft tevens deelgenomen: [E.] e/v [D.], wonende te Amsterdam, hierna te noemen: de werkneemster.
Datum uitspraak: 17 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. den Otter, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De werkneemster heeft desgevraagd geen toestemming gegeven om haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen. Zij heeft voorts laten weten als partij aan het geding te willen deelnemen.
Namens de werkneemster heeft mr. M.J.P.M. Schellekens, advocaat te Amsterdam, een nader stuk ingezonden en een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007, waar - zoals te voren was bericht - noch voor appellante, noch voor de werkneemster iemand is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.H.A.H. Smithuysen.
II. OVERWEGINGEN
De werkneemster is op 1 juni 2001 bij appellante in dienst getreden. Zij is voor 34 uur per week werkzaam geweest als administratief medewerkster, gedetacheerd via appellante. Op 22 juni 2001 is zij wegens ziekte uitgevallen.
Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het Uwv aan de werkneemster met ingang van 31 juli 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De toekenning van een volledige uitkering komt voort uit het feit dat er, gezien de ernstige beperkingen van appellante ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, alsmede een urenbeperking van 2 uur per dag, onvoldoende functies konden worden gevonden om een arbeidsongeschiktheidsschatting op te baseren.
Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij is aangevoerd dat het Uwv toepassing had moeten geven aan het bepaalde in artikel 30, eerste lid aanhef, en onder b, van de WAO. Ingevolge dit artikellid kan het Uwv de arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laten als die arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen een half jaar na aanvang van de verzekering, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokken werknemer het intreden van die arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten. Volgens appellante heeft deze situatie zich voorgedaan omdat de werkneemster al psychische klachten had voordat zij bij appellante in dienst trad en te verwachten was dat zij binnen korte tijd zou uitvallen, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Zij heeft immers maar enkele weken gewerkt.
Bij besluit van 7 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard omdat er naar het oordeel van het Uwv geen objectieve argumenten zijn om toepassing te geven aan de genoemde uitsluitingsbepaling in de WAO.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat het Uwv terecht artikel 30, eerste lid, van de WAO buiten toepassing heeft gelaten.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge ’s Raads jurisprudentie mag alleen toepassing worden gegeven aan artikel 30, eerste lid onder b, van de WAO indien uit bij de aanvang van de verzekering bestaande gezondheidstoestand van de betrokkene met een grote mate van zekerheid is af te leiden dat die toestand binnen het half jaar tot arbeidsongeschiktheid zal leiden.
In dit geval is de Raad met het Uwv van oordeel dat er onvoldoende objectieve gegevens zijn waaruit blijkt dat de werkneemster bij haar indiensttreding al zodanige psychische klachten had dat met een grote mate van zekerheid was te verwachten dat zij binnen een half jaar arbeidsongeschikt zou zijn. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de werkneemster voorafgaand aan haar indiensttreding op verzoek van de Sociale Dienst medisch is gekeurd door een arts van “Commit Keuringen”. Deze arts heeft verklaard dat de werkneemster arbeidsgeschikt is met beperkingen. Die beperkingen hebben uitsluitend betrekking op enkele fysieke aspecten, welke de werkneemster niet hebben belet om haar werk te verrichten. Namens appellante is aangevoerd dat deze arts waarschijnlijk niet naar de psychische gezondheidstoestand van de werkneemster heeft gekeken. De Raad acht dit echter niet waarschijnlijk, daar in de bij het betreffende keuringsrapport gevoegde “code-lijst functiebeperkingen” wel een rubriek, betrekking hebbend op psychisch belastende factoren, is opgenomen. In deze rubriek zijn geen beperkingen aangegeven.
Voorts wijst de Raad er op dat de werkneemster niet vanwege psychische klachten is uitgevallen. Zij heeft zich ziek gemeld vanwege een verkoudheid. Nadien bleek er sprake te zijn van de ziekte van Pfeiffer. Ook openbaarden zich de psychische klachten pas later. Hieruit blijkt dat de vraag of uit de gezondheidssituatie bij de aanvang van de verzekering met zekerheid kan worden afgeleid dat de werkneemster binnen een half jaar arbeidsongeschikt zou zijn, ontkennend moet worden beantwoord.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C.D.A. Bos.