ECLI:NL:CRVB:2007:BA3164

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-559 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WWBArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen bijstandsvoortzetting met trajectplanverplichting

Appellant, een bijstandsontvanger, tekende op 2 september 2004 een trajectplan met het oog op begeleiding naar betaalde arbeid. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde bij besluit van die datum de voortzetting van de bijstand afhankelijk van het naleven van dit trajectplan. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 14 oktober 2004 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat appellant geen concreet belang meer had bij de beoordeling van het besluit.

Tijdens de procedure besloot het College op 3 juni 2005 dat appellant zijn eigen reïntegratieplan mocht schrijven, een besluit waartegen appellant geen bezwaar maakte. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant geen belang meer heeft bij het beroep op het oorspronkelijke besluit van 2 september 2004, aangezien de situatie inmiddels is gewijzigd en geen maatregelen zijn opgelegd in de eerdere beoordelingsperiode.

Appellants stelling dat hij in de vervolgperiode onheus en vooringenomen is bejegend door het College wordt door de Raad niet als voldoende grond voor het beroep gezien. De Raad bevestigt daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan concreet belang.

Uitspraak

06/559 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2005, 04/6078 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 17 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. Op 2 september 2004 heeft appellant een - met het oog op zijn begeleiding naar betaalde arbeid opgemaakt - trajectplan ondertekend (onder voorbehoud). Bij besluit
van 2 september 2004 heeft het College aan de voortzetting van de bijstand de verplichting verbonden dat appellant zich houdt aan het trajectplan.
Bij besluit van 14 oktober 2004 heeft het College het tegen het besluit van 2 september 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het besluit van 14 oktober 2004 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Hangende de behandeling van dit beroep heeft het College op 3 juni 2005 besloten dat appellant - zoals met hem is afgesproken - zijn eigen reïntegratieplan schrijft, en dat hij daarvoor de tijd heeft tot 1 september 2005. Appellant heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 14 oktober 2004 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank heeft aan haar beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep de volgende overwegingen ten grondslag gelegd, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het College moet worden gelezen:
"Aangezien eiser met verweerder is overeengekomen dat hij zijn eigen reïntegratieplan zal schrijven, zoals in het besluit van 3 juni 2005 is omschreven, betreffen de door eiser in beroep aan de orde gestelde grieven uitsluitend de daaraan voorafgaande afgesloten beoordelingsperiode. Ter zitting is komen vast te staan dat in die periode geen maatregel als bedoeld in het bepaalde in artikel 18 van Pro de Wet werk en bijstand is opgelegd en dat het nemen van zulk een maatregel jegens eiser evenmin wordt overwogen. Nu een oordeel van de rechtbank over die periode evenmin betekenis kan hebben voor een toekomstige beoordelingsperiode en geen schadevergoeding is gevorderd als bedoeld in artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, kan geen tot de persoon van eiser te herleiden procesbelang meer worden vastgesteld bij een beoordeling ten gronde van het besluit van 2 september 2004. De rechtbank vindt steun voor bovengenoemde overwegingen in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 november 2005, LJN AU5763."
De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Appellant heeft in hoger beroep ook niet kunnen aangeven welk concreet belang hij vanaf 3 juni 2005 nog heeft bij een beoordeling van het bij het besluit van 14 oktober 2004 gehandhaafde besluit van 2 september 2004. Dat appellant, naar hij stelt, in het vervolg op het besluit van 3 juni 2005 door of vanwege het College op vooringenomen wijze en niet voldoende begrip- of respectvol is bejegend, is daarvoor niet voldoende.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.
(get.) C. van Viegen.
(get.) P.E. Broekman.