ECLI:NL:CRVB:2007:BA3243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Gevolgen eigenrisicodragerschap WAO na toekenning uitkering aan werknemer
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over de kwalificatie van een brief van 30 juli 2004 aan een werkgever. Deze brief informeerde over de toekenning van een WAO-uitkering aan een werknemer en de gevolgen van het eigenrisicodragerschap van de werkgever.
De rechtbank had geoordeeld dat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was en verklaarde het bezwaar van de werkgever niet-ontvankelijk. Het UWV stelde echter dat de brief wel een besluit was en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde in een eerdere uitspraak dat een dergelijke brief wel degelijk als besluit moet worden aangemerkt, omdat het strekt tot het opleggen van een betalingsverplichting aan de werkgever. De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraak en wees de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor inhoudelijke behandeling.
Tijdens de zitting trad de gemachtigde van de werkgever op en vroeg de Raad om de zaak niet terug te wijzen maar zelf af te doen. De Raad wees dit verzoek af vanwege het ontbreken van reactie van het UWV en de onverwachte stellingen van de werkgever. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
De uitspraak benadrukt het belang van de juiste kwalificatie van besluiten in het kader van eigenrisicodragerschap en de rechtsbescherming van werkgevers tegen betalingsverplichtingen na toekenning van WAO-uitkeringen.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling.