ECLI:NL:CRVB:2007:BA3266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering en bevestiging weigering ziekengeld
Appellante was werkzaam als verkoopster toen zij in 1999 uitviel met diverse klachten. Na het volbrengen van de wachttijd weigerde het UWV haar een WAO-uitkering toe te kennen, waarna zij een WW-uitkering ontving. Later meldde zij zich ziek met vermoeidheidsklachten en ontving zij ziekengeld. Het UWV weigerde vervolgens opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en beëindigde het ziekengeld.
In het hoger beroep betoogde appellante dat zij door chronische vermoeidheid en allergieën niet in staat was te werken. De Raad stelde vast dat de beperkingen door het UWV waren erkend, maar niet in de door appellante gestelde mate. De arbeidskundige motivering van het bestreden besluit was aanvankelijk onvoldoende, met name vanwege de toepassing van het Claim-Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS). De Raad vernietigde daarom het besluit tot weigering van de WAO-uitkering, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
Ten aanzien van het ziekengeld oordeelde de Raad dat appellante niet ongeschikt was voor arbeid in de zin van de Ziektewet, omdat zij geschikt was voor ten minste één van de functies die bij de WAO-schattingsmethode waren geselecteerd. De rechtbank had de conclusie van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts uitvoerig gemotiveerd en de Raad kon zich daarin vinden. Het hoger beroep tegen de weigering van het ziekengeld werd daarom afgewezen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit inzake de WAO-uitkering, bevestigde de weigering van ziekengeld en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante moest vergoeden.
Uitkomst: Besluit weigering WAO-uitkering wordt vernietigd, weigering ziekengeld bevestigd.