ECLI:NL:CRVB:2007:BA3446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 1995 werkzaam bij een werkgever en trad in 2000 in vaste dienst als zelfstandig werkend kok. Naarmate zijn geloofsbeleving versterkte, kreeg hij bezwaren tegen het bereiden van varkensvlees en gerechten met alcohol. Dit leidde tot een ontbindingsverzoek van de werkgever, waarna de arbeidsovereenkomst in december 2004 werd ontbonden met een vergoeding voor appellant.
Het UWV weigerde daarop een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant volgens de rechtbank onvoldoende inspanningen had verricht om ander werk te vinden. Appellant stelde in hoger beroep dat hij uit gewetensnood niet langer zijn werkzaamheden kon verrichten en dat hij wel degelijk pogingen had gedaan om ander werk te vinden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant terecht bezwaren had uit zijn geloofsovertuiging en dat de werkgever en appellant samen lange tijd hadden geprobeerd de arbeid voort te zetten. Toen dit niet langer mogelijk was, kon niet van appellant worden verlangd dat hij zich tegen ontbinding zou verzetten. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV opnieuw op het bezwaar van appellant moet beslissen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.