ECLI:NL:CRVB:2007:BA3495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens werkzaamheden in bedrijven echtgenote
Appellant ontving sinds 1976 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Uit onderzoek van het UWV bleek dat appellant van december 1997 tot december 2002 als zelfstandige en directeur/bedrijfsleider werkzaam was in de bedrijven van zijn echtgenote, zonder dit aan het UWV te melden. Hierdoor werd zijn uitkering vanaf 4 december 1997 stopgezet en een bedrag van €73.671,30 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte, waaronder leidinggeven, contact met personeel en leveranciers, en aanwezig zijn op beurzen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn activiteiten summier waren en dat zijn echtgenote de feitelijke leiding had, maar de Raad achtte het voldoende aannemelijk dat appellant een inkomen van €38.117,54 per jaar genoot.
De Raad overwoog dat ook indirecte verrijking en aandeelhouderschap meespelen bij de toepassing van artikel 44 WAO Pro. Daarnaast vond de Raad dat het UWV terecht de uitkering stopzette en terugvorderde, omdat appellant zijn inkomsten niet had gemeld en het UWV verplicht was teveel betaalde uitkeringen terug te vorderen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering wegens werkzaamheden in de bedrijven van de echtgenote.