ECLI:NL:CRVB:2007:BA3517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toeslag op maximum bij gezinsinkomen met WAO-uitkering en pgb-inkomen echtgenote
Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt, kreeg een toeslag toegekend op grond van de Toeslagenwet, vastgesteld op 30% van het wettelijk minimumloon, het maximale bedrag. Het UWV herrekende de toeslag door het gezinsinkomen, bestaande uit de WAO-uitkering van appellant en het persoonsgebonden budget (pgb) van zijn echtgenote, in mindering te brengen op het wettelijk minimumloon. Dit leidde tot een toeslag op het maximale bedrag.
Appellant maakte bezwaar tegen deze herberekening, met name tegen de kwalificatie van het pgb-inkomen als inkomsten uit arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellant geen belang had bij het aanvechten van het besluit omdat hij niet meer toeslag kon verkrijgen dan reeds toegekend.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 oktober 2002, verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2002 niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant in eerste aanleg. Het betaalde griffierecht werd eveneens aan appellant vergoed.
De zaak benadrukt het belang van procesbelang bij bestuursrechtelijke procedures en de toepassing van de Toeslagenwet bij het betrekken van pgb-inkomen bij de berekening van toeslagen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2002 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.