ECLI:NL:CRVB:2007:BA3517

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3369 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbToeslagenwetWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling toeslag op maximum bij gezinsinkomen met WAO-uitkering en pgb-inkomen echtgenote

Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt, kreeg een toeslag toegekend op grond van de Toeslagenwet, vastgesteld op 30% van het wettelijk minimumloon, het maximale bedrag. Het UWV herrekende de toeslag door het gezinsinkomen, bestaande uit de WAO-uitkering van appellant en het persoonsgebonden budget (pgb) van zijn echtgenote, in mindering te brengen op het wettelijk minimumloon. Dit leidde tot een toeslag op het maximale bedrag.

Appellant maakte bezwaar tegen deze herberekening, met name tegen de kwalificatie van het pgb-inkomen als inkomsten uit arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellant geen belang had bij het aanvechten van het besluit omdat hij niet meer toeslag kon verkrijgen dan reeds toegekend.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 oktober 2002, verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2002 niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant in eerste aanleg. Het betaalde griffierecht werd eveneens aan appellant vergoed.

De zaak benadrukt het belang van procesbelang bij bestuursrechtelijke procedures en de toepassing van de Toeslagenwet bij het betrekken van pgb-inkomen bij de berekening van toeslagen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2002 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

04/3369 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 mei 2004, 02/1091 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met ingang van 11 oktober 1995 heeft het Uwv hem een toeslag ingevolge de Toeslagenwet toegekend. Deze toeslag is vastgesteld op 30% van het toen geldende wettelijke minimumloon, zijnde de maximale toeslag. Nadat de toeslag in verband met gewijzigde huiselijke omstandigheden van appellant gedurende enige tijd op een ander bedrag was vastgesteld, bedroeg deze per
1 september 1999 weer 30% van het wettelijk minimumloon.
In maart 2001 heeft appellant het Uwv medegedeeld dat zijn echtgenote gelden ontving in verband met de verzorging van hun twee gehandicapte kinderen. Nadat het Uwv appellant aanvankelijk had bericht dat deze gelden voor de berekening van appellants toeslag niet werden aangemerkt als inkomsten uit arbeid van zijn echtgenote, heeft het Uwv zich later op het standpunt gesteld dat deze inkomsten uit het zogeheten persoonsgebonden budget (pgb) van de kinderen wel bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag dienen te worden betrokken.
Bij besluit van 30 juli 2002 heeft het Uwv de aan appellant toekomende toeslag opnieuw berekend. Daarbij is het totale gezinsinkomen, bestaande uit appellants WAO-uitkering en de inkomsten van appellants echtgenote uit het pgb, afgetrokken van het wettelijk minimumloon. Aangezien de uitkomst van deze berekening lag boven de toen geldende maximale toeslag, te weten 30% van het wettelijk minimumloon, is de toeslag op dit laatste bedrag vastgesteld.
Bij besluit van 18 oktober 2002 heeft het Uwv zijn besluit van 30 juli 2002 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het besluit van 18 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Hangende de procedure in hoger beroep is aan partijen de vraag voorgelegd welk belang appellant heeft bij het aanvechten van het bestreden besluit.
De Raad overweegt het volgende.
Ten tijde hier van belang bedroeg de maximale toeslag ingevolge de Toeslagenwet 30% van het wettelijk minimumloon. De toeslag waarop recht bestond, werd berekend door het totale gezinsinkomen af te trekken van het wettelijk minimumloon. Bedroeg het aldus berekende bedrag aan toeslag meer dan 30% van het wettelijk minimumloon, dan werd de toeslag op dit laatste bedrag vastgesteld.
Bij het besluit van 30 juli 2002 is appellants toeslag op het maximale bedrag van 30% van het wettelijk minimumloon vastgesteld. Nu appellant met zijn rechtsmiddelen tegen dit besluit niet méér kan bewerkstelligen dan wat hij aan toeslag heeft ontvangen, is de Raad van oordeel dat hij bij die rechtsmiddelen geen belang had. De door appellant opgeworpen vraag of de inkomsten van zijn echtgenote uit het pgb voor de toepassing van de Toeslagenwet moesten worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid, is slechts van theoretisch belang. Appellants bezwaar had derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, evenals het besluit van 18 oktober 2002. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juli 2002 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg. In hoger beroep zijn geen proceskosten gevorderd en is de Raad van voor ambtshalve voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2002 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2002 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en
H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 april 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.