ECLI:NL:CRVB:2007:BA3524

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6714 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 BeroepswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever als belanghebbende bij bezwaar tegen WAO-uitkering werknemer

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over een WAO-uitkering aan een werknemer. De werkgever had bezwaar gemaakt tegen de toekenning van de WAO-uitkering aan zijn werknemer, stellende dat de werknemer zijn werkzaamheden had hervat en onterecht overuren claimde.

De rechtbank had geoordeeld dat de werkgever weliswaar als belanghebbende moest worden aangemerkt, maar dat hij geen processueel belang had omdat hij vrijstelling voor PEMBA had gekregen en het verlagen van de uitkering geen feitelijke betekenis voor hem had. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de werkgever als categorale belanghebbende moet worden gezien en dat het procesbelang aanwezig is wanneer het bezwaar het gewenste resultaat kan bereiken.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor nadere behandeling. De beslissing benadrukt het belang van het procesbelang en bevestigt dat de werkgever met zijn bezwaar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer heeft weten te bereiken. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 april 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor nadere behandeling.

Uitspraak

04/6714 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2004, 03/1947 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 13 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van betrokkene is geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006.
Appellant was vertegenwoordigd door mr. K.D. van Someren.
Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft bij besluit van 27 mei 2002 aan betrokkene met ingang van
28 augustus 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 %.
De (inmiddels) ex-werkgever van betrokkene, Stichting [werkgever] (hierna: de werkgever) heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij aangevoerd dat betrokkene op oneigenlijke gronden een WAO-uitkering heeft aangevraagd en gekregen. Betrokkene had namelijk zijn werkzaamheden volledig hervat en werd tijdens zijn werktijd in de gelegenheid gesteld de fysiotherapeut te bezoeken. Daarnaast maakte hij overuren, ondanks dat dit hem verboden was. Het onder werktijd toestaan van fysiotherapiebehandelingen en het daarnaast claimen van overuren acht de werkgever niet terecht. De WAO-uitkering behoort niet te worden toegekend voor die overuren.
Bij besluit van 17 maart 2003 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar gegrond verklaard en de uitkering van betrokkene met ingang van 6 weken na 17 maart 2003 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van eiser (lees: van de werkgever) niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de werkgever die bezwaar maakt, gelet op diens hoedanigheid van werkgever, als belanghebbende moet worden aangemerkt. Dit neemt echter niet weg dat de werkgever wel een processueel belang dient te hebben. Daarvan is sprake indien de werkgever met het ingestelde bezwaar eventueel het door hem gewenste resultaat kan bereiken en aan het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verlagen of intrekken van de uitkering van betrokkene geen feitelijke betekenis heeft voor de werkgever, mede gelet op het feit dat de werkgever vrijstelling voor PEMBA heeft gekregen, zodat de werkgever geen procesbelang bij het gemaakte bezwaar had.
Appellant heeft daartegen aangevoerd dat bij de invulling van het criterium “dat aan het realiseren van het gewenste resultaat voor hem feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd” bepalend is of, als de werkgever eenmaal als belanghebbende bij het besluit is toegelaten, hij met het ingestelde bezwaar theoretisch enig feitelijk effect kan sorteren. Appellant meent dat het begrip “feitelijke betekenis” niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat het (voorkomen van het) bestreden besluit concrete materiële, bijvoorbeeld financiële, gevolgen heeft voor de bezwaarmaker zelf.
De Raad oordeelt als volgt.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 11 februari 2003, onder andere gepubliceerd in USZ 2003/141, moet de werkgever die bezwaar maakt dan wel beroep instelt tegen een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de WAO, gelet op diens hoedanigheid van werkgever, als belanghebbende worden aangemerkt. De hoedanigheid van belanghebbende is niet afhankelijk van de aard van het bestreden besluit, bijvoorbeeld een toekennings-, herzienings-, intrekkings-, of weigeringsbesluit. Evenmin is die hoedanigheid afhankelijk van hetgeen de werkgever als zijn belang aanvoert. Er dient derhalve te worden uitgegaan van een categoraal belanghebbende begrip.
Het bovenstaande neemt niet weg dat de werkgever wel een processueel belang dient te hebben. Zoals eerder is overwogen in onder meer de hiervoor genoemde uitspraak, is daarvan sprake als de werkgever met het ingestelde bezwaar of beroep eventueel het door hem gewenste resultaat kan bereiken en aan het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
Met appellant is de Raad van oordeel dat daarvan ook in dit geval sprake is. Immers, hetgeen de werkgever met zijn bezwaar wilde bereiken, kon hij ook realiseren en heeft hij ook bereikt, namelijk een lagere mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene.
Het hoger beroep slaagt derhalve.
Aangezien het geding naar 's Raads oordeel nadere behandeling door de rechtbank behoeft, acht de Raad het gewenst de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank Amsterdam.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Amsterdam.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en
I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.