ECLI:NL:CRVB:2007:BA3590

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1575 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsurenverlies bij opeenvolgende werkgevers in WW-uitkering

Betrokkene was werkzaam bij meerdere werkgevers en stelde zich beschikbaar voor werk bij een eerdere werkgever terwijl zij ook bij een nieuwe werkgever werkte. De WW-uitkering werd geweigerd omdat de uren bij de nieuwe werkgever de uren bij de vorige zouden vervangen, waardoor geen sprake zou zijn van arbeidsurenverlies.

De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de uren bij de nieuwe werkgever niet zonder meer het arbeidsurenverlies compenseren, mede gezien de aard van werkzaamheden, werktijden en beschikbaarheid voor de vorige werkgever. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Raad benadrukte dat bij de beoordeling van arbeidsurenverlies het geheel van omstandigheden moet worden meegewogen, zoals de aard van de werkzaamheden en de beschikbaarheid voor de vorige werkgever. Hierdoor werd vastgesteld dat betrokkene per 1 april 2005 wel degelijk arbeidsurenverlies had en recht had op WW-uitkering.

Daarnaast werd appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten aan betrokkene. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 16 van Pro de Werkloosheidswet bij situaties met opeenvolgende werkgevers en arbeidsurenverlies.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene recht heeft op WW-uitkering wegens arbeidsurenverlies per 1 april 2005.

Uitspraak

06/1575 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2006, 05/3479 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 28 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. B. Vermeirssen, advocaat te Bergen op Zoom, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 5 januari 2007 zijn namens betrokkene nadere stukken aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Vermeirssen voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Betrokkene was sedert 1 april 1998 werkzaam als medewerkster [werkgever 1] Daarnaast was zij sinds 1 mei 2000 ’s avonds en in het weekend werkzaam bij [werkgever 2] (hierna: [werkgever 2]). Bij beschikking van
27 november 2003 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van betrokkene met de Rabobank per
1 januari 2004 ontbonden met toekenning van een vergoeding aan betrokkene van € 14.909,-- bruto. Met ingang van
1 januari 2004 is betrokkene als zelfstandig reisadviseur gestart. Gedurende de periode 15 januari 2004 tot 1 maart 2004 heeft betrokkene geen werkzaamheden bij [werkgever 2] verricht in verband met ziekte. Van 1 maart 2004 tot 1 juli 2004 heeft zij zwangerschapsverlof genoten. Daarna is betrokkene door [werkgever 2] niet meer opgeroepen voor haar werk, terwijl zij zich wel beschikbaar heeft gesteld.
Met ingang van 9 augustus 2004 is betrokkene voor 24 uur per week bij [werkgever 3] (hierna: [werkgever 3]) gaan werken. Bij beschikking van 28 februari 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van betrokkene met [werkgever 2] per
1 april 2005 ontbonden. Betrokkene heeft een WW-uitkering aangevraagd per die datum.
Bij besluit van 30 maart 2005 heeft appellant de WW-uitkering met ingang van 1 april 2005 geweigerd op de grond dat betrokkene niet tenminste 5 uur per week werkloos is geworden. Appellant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat betrokkene een WW-uitkering heeft aangevraagd na het dienstverband bij [werkgever 2] voor 18 uur per week, terwijl zij na de op non-actiefstelling bij [werkgever 2] in juli 2004 bij [werkgever 3] is gaan werken voor 24 uur per week, zodat geen sprake is van arbeidsurenverlies.
3. Bij het bestreden besluit van 6 juli 2005 heeft appellant het bezwaar tegen de weigering van de WW-uitkering ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
27 augustus 1991, LJN ZB1793, RSV 1992/299, in dit geval niet zonder meer het standpunt van appellant steunt. In genoemde uitspraak was sprake van één dienstverband waarbij de werknemer op non-actief werd gesteld. De rechtbank stelt vast dat betrokkene in het verleden en ook thans feitelijk meer dan 40 uur per werkweek werkzaam is of is geweest, waarbij zij naast een volledige normale werkweek in de avond en het weekend in de horeca werkte. Bovendien was zij door [werkgever 2] niet op non-actief gesteld. Zij heeft zich tot het einde van het dienstverband beschikbaar gesteld en gehouden. De dienstbetrekking bij [werkgever 3] kwam dan ook niet in de plaats van de vrijgekomen uren van [werkgever 2], maar in de plaats van de volledige dagtaak bij de Rabobank, verminderd met de uren die betrokkene aan haar eigen bedrijf besteedde. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden niet gezegd worden dat de aanvaarding van de dienstbetrekking bij [werkgever 3] een eerder verlies aan arbeidsuren onmiskenbaar heeft verminderd of teniet heeft gedaan, zodat niet staande kan worden gehouden dat bij de beëindiging van de dienstbetrekking bij [werkgever 2] geen sprake was van arbeidsurenverlies. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering en wordt derhalve vernietigd.
5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de aanvaarding door betrokkene van het dienstverband bij [werkgever 3] een eerder opgetreden verlies aan arbeidsuren teniet heeft gedaan. Hiervoor vindt appellant steun in voornoemde uitspraak. Ook in die zaak was sprake van één dienstverband en dat na het intreden van het arbeidsurenverlies maar voor het intreden van het loonverlies elders arbeid als werknemer werd aanvaard. Betrokkene heeft in juli 2004 een arbeidsurenverlies van
18 uur geleden. Dit werd echter teniet gedaan op 9 augustus 2004 door indiensttreding bij [werkgever 3] voor 24 uur per week. Hieruit volgt dat er na de ontbinding per 1 april 2005 van de dienstbetrekking met [werkgever 2] geen sprake was van arbeidsurenverlies. Het gegeven dat betrokkene gewoon was, en wellicht is, naast een normale werkweek in de avonden en weekenden in de horeca te werken, maakt dit niet anders. Bij het vaststellen van een arbeidsurenverlies dient volgens appellant immers te worden gekeken naar de feitelijke situatie.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is -voor zover hier van belang- werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren. Het tweede lid van dit
artikel bepaalt dat de onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.
6.2. Appellant heeft bij het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd dat er op 1 april 2005 geen sprake was van arbeidsurenverlies omdat de uren die betrokkene bij [werkgever 3] werkte in de plaats zijn gekomen van de uren die betrokkene werkzaam was bij [werkgever 2], zodat betrokkene niet werkloos is geworden. Appellant heeft daarbij slechts een vergelijking van het aantal gewerkte uren per dienstbetrekking gemaakt en geoordeeld dat de uren van [werkgever 3] de uren van [werkgever 2] teniet doen.
6.3. Naar het oordeel van de Raad kan echter pas worden vastgesteld of de uren die betrokkene bij [werkgever 3] is gaan werken in de plaats zijn gekomen van de uren bij [werkgever 2] indien het geheel van omstandigheden genoegzaam steun biedt voor het maken van die gevolgtrekking. Daarvoor is het onder meer van belang om vast te stellen wat de aard van de werkzaamheden was en de tijden waarop de werkzaamheden door betrokkene werden verricht. Ook is van belang dat betrokkene zich gedurende de gehele periode beschikbaar hield om bij [werkgever 2] te hervatten en dat zij haar werkzaamheden als zelfstandig reisadviseur heeft verminderd bij het aanvaarden van de functie bij [werkgever 3]. Uit de toelichting van betrokkene ter zitting van de Raad is gebleken dat zij 24 uur per week voor [werkgever 3] werkte en de overige uren in hetzelfde kantoorpand als zelfstandig reisadviseur werkzaam was. Daarnaast was zij op zoek naar werk voor de avonduren en de weekeinden in de horeca. De Raad is gezien dit geheel van omstandigheden van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de uren bij [werkgever 3] in de plaats zijn gekomen van de uren bij [werkgever 2].
6.4. Dit betekent dat bij de vaststelling van het recht op WW-uitkering de uren gedurende welke zij werkzaam was bij [werkgever 3] niet in mindering dienen te worden gebracht op de arbeidsuren van het dienstverband bij [werkgever 2], en dat laatstbedoelde uren volledig dienen te worden meegenomen, zodat op 1 april 2005 wel sprake was van arbeidsurenverlies en betrokkene per die datum werkloos is geworden.
6.5. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om appellant op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) E. Heemsbergen.