ECLI:NL:CRVB:2007:BA3681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij WAO-uitkering
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, ongewijzigd voort te zetten vanaf 1 maart 2000. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een concreet procesbelang, omdat appellant reeds in de hoogste klasse van arbeidsongeschiktheid was ingedeeld en een hogere indeling niet mogelijk was.
Daarnaast werd overwogen dat het procesbelang niet meer kon liggen in het uitstellen van de vijfjaarlijkse herbeoordeling, aangezien deze op grond van gewijzigde wetgeving voor appellant was komen te vervallen. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn procesbelang niet door gewijzigde wetgeving mocht vervallen en verzocht hij tevens om een uitspraak over de wettelijke grondslag van het besluit en vergoeding van zijn onkosten.
De Raad oordeelde dat het beoogde resultaat van appellant feitelijk geen betekenis meer had door de vervallen herbeoordeling en dat het principiële belang onvoldoende was voor ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd afgewezen wegens het ontbreken van bewijs voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd wegens ontbreken van een concreet procesbelang.