ECLI:NL:CRVB:2006:AY6077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep inzake ouderdomspensioen bij gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 augustus 1995 een ouderdomspensioen voor een ongehuwde. Na constatering dat een andere persoon op hetzelfde adres was ingeschreven, startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de rechtmatigheid van het pensioen. Hierbij werden onder meer een vragenformulier en een huisbezoek ingezet.
De Svb schortte in april 2004 de uitbetaling van het pensioen op en betaalde voortaan het pensioen toe zoals dat geldt voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.
De Raad stelt vast dat het besluit van 21 oktober 2004, waarin het pensioen werd herzien naar het lagere bedrag voor een gezamenlijke huishouding, niet is bestreden en daarmee rechtens onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat het recht op het hogere pensioen niet meer kan worden herroepen. Omdat appellante daardoor geen belang meer heeft bij haar hoger beroep, wordt dit niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.