ECLI:NL:CRVB:2007:BA3974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 21 januari 2002
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel op 21 januari 2001 uit wegens psychische klachten en artrose. Het UWV weigerde hem op 20 augustus 2002 een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij per 21 januari 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd bevestigd in bezwaar en door de rechtbank Amsterdam afgewezen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de belastbaarheid door de gekozen functies werd overschreden en dat onvoldoende functies overbleven voor een juiste schatting. Tevens bracht hij medische stukken in, waaronder een brief van een reumatoloog uit 2005 en een radiologiebericht uit 2002. De Raad oordeelde dat deze stukken geen invloed hadden op de situatie per 21 januari 2002.
De Raad vond geen onzorgvuldigheden in het medisch onderzoek en achtte de arbeidskundige rapportage van 30 september 2003 voldoende onderbouwd. De aanvullende rapportage uit 2005 voegde niets toe. De schatting van het verlies aan verdiencapaciteit bedroeg 4,51%, onder de grens voor recht op WAO.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het besluit van het UWV en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WAO-uitkering per 21 januari 2002 wordt bevestigd.