ECLI:NL:CRVB:2007:BA3987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en herbeoordeling in WAO-uitkering
Appellant, laatst werkzaam als sloper/vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek op 6 december 1993. Het UWV herzag de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 oktober 1995 tot 35-45% en stelde deze ongewijzigd vast per 5 december 1999. Bezwaar tegen deze besluiten werd ongegrond verklaard, waarna appellant beroep instelde.
De Raad overweegt dat de medische beoordelingen door verzekeringsartsen zorgvuldig en juist zijn uitgevoerd, waarbij de door appellant aangevoerde kritiek onvoldoende is onderbouwd. Ook de arbeidskundige beoordeling acht de Raad adequaat, met functies passend bij de beperkingen van appellant.
Het hoger beroep tegen de beoordeling per 2 oktober 1995 wordt afgewezen; het hoger beroep tegen de beoordeling per 5 december 1999 wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar tegen het latere besluit van 29 december 2006 gegrond is verklaard en de uitkering werd voortgezet met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het besluit van 29 december 2006 en sluit het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bezwaar tegen het besluit van 29 december 2006 wordt gegrond verklaard, waardoor de uitkering wordt voortgezet met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.