ECLI:NL:CRVB:2007:BA4285

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1063 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WWBArt. 4:84 AwbArt. 475c RvArt. 475d RvArt. 78c Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kwijtschelding restant schuld bijstand na betaling meer dan 60 maanden

Appellante verzocht het College van burgemeester en wethouders van Tilburg om kwijtschelding van het restant van een schuld die voortvloeide uit terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. Het College wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, maar appellante ging in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 58 WWB Pro ten onrechte gemaakte kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd, maar dat het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid heeft om af te zien van terugvordering. Volgens artikel 4:84 Awb Pro moet het bestuursorgaan handelen conform beleidsregels, tenzij bijzondere omstandigheden dit onevenredig maken.

De Raad stelde vast dat appellante meer dan 60 maanden aan haar betalingsverplichtingen had voldaan, waarmee zij voldeed aan de voorwaarden voor kwijtschelding volgens het gemeentelijke beleid. Het College had echter aangevoerd dat gedurende 34 maanden niet naar draagkracht was betaald, maar de Raad kwalificeerde de door het College toegestane lagere betaling als een geldige betalingsverplichting binnen een schuldsaneringsregeling.

Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het College op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit van het College wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij kwijtschelding wordt verleend.

Uitspraak

06/1063 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 januari 2006, 05/1535
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld op de zitting van 13 maart 2007. Appellante is - met schriftelijke kennisgeving - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante heeft het College bij brief van 6 december 2004 verzocht om kwijtschelding van het restant van een schuld van
€ 7.014,31. Deze schuld betreft terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 1 april 1996 tot en met 8 december 1996 en van 6 januari 1997 tot en met 9 februari 1997 wegens verzwegen inkomsten.
Het College heeft dit verzoek bij besluit van 21 december 2004 afgewezen.
Het College heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 december 2004 bij besluit van 31 maart 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 31 maart 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. In dat verband is een beroep gedaan op het gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij meer dan 60 maanden heeft voldaan aan haar aflossingsverplichtingen.
Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt inhoudende dat appellante op de vordering niet tenminste 60 maanden naar draagkracht heeft afgelost.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat artikel 58 van Pro de WWB, voor zover hier van belang, meebrengt dat ten onrechte gemaakte kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering moet hierin besloten worden geacht.
Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het College bij besluit van 21 september 2004 het Beleidskader Terug- en Invordering Wet werk en bijstand gemeente Tilburg vastgesteld. Het is op 1 oktober 2004 in werking getreden.
Regel 3.2 van deze beleidsregels houdt in dat ten onrechte verstrekte bijstand van de belanghebbende wordt teruggevorderd. Het uitgangspunt daarbij is dat de ten onrechte verstrekte bijstand volledig moet worden terugbetaald.
Regel 6 bepaalt dat het College in afwijking van regel 3.2 kan besluiten van terugvordering of verdere terugvordering af te zien indien de belanghebbende gedurende vijf jaar (60 termijnen) volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddelde inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan.
Regel 6.2 houdt in dat het in een invorderingsbesluit genoemde aflossingsbedrag als een opgelegde betalingsverplichting geldt. Het College verricht onderzoek naar de hoogte van het inkomen. Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft wordt de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.
Aan de toelichting bij de beleidsregels ontleent de Raad het volgende:
“Op grond van artikel 78c Abw kon een restant van de nog openstaande vordering worden kwijtgescholden indien de belanghebbende gedurende een periode van 5 jaar aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Het Tilburgse beleid hierin was dat een debiteur naar draagkracht betaald moest hebben. De draagkracht werd daarbij bepaald op het bedrag dat de beslagvrije voet te bovenging. Er wordt nu niet langer gesproken over betaling naar draagkracht maar over het voldoen van de betalingsverplichting.”
Artikel 4:84 van Pro de Awb houdt in dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel dient te handelen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
De Raad stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat het College zich op het standpunt stelt dat appellante wel gedurende meer dan 60 maanden heeft afgelost op de vordering, maar dat zij dat gedurende 34 maanden niet gedaan heeft naar draagkracht. Gedurende die maanden mocht zij van het College volstaan met een maandtermijn van
f 50,-- in verband met de afwikkeling van een schuldsaneringsregeling, waarbij zij begeleiding ontving van het gemeentelijke servicebureau budgetadvisering.
De Raad is van oordeel dat de aan appellante verleende toestemming om in het kader van de schuldsaneringsregeling
f 50,-- per maand af te lossen, moet worden aangemerkt als een invorderingsbesluit waarbij een betalingsverplichting is opgelegd.
Dit betekent dat appellante gedurende meer dan 60 maanden aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, zodat aan de voorwaarden voor het verlenen van kwijtschelding als bedoeld in regel 6.2 van de beleidsregels is voldaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten - het besluit van 31 maart 2005 wegens strijd met artikel 4:84 van Pro de Awb dient te worden vernietigd. Het College zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen tot vergoeding van de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- voor rechtsbijstand in bezwaar, op € 644,-- voor rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 31 maart 2005;
Draagt het College op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente Tilburg;
Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt;
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.M. van Male en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.
(get.) Th.C. van Sloten
(get.) A.H. Polderman-Eelderink