ECLI:NL:CRVB:2007:BA4286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2580 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • E. Dijt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:75 AwbArt. 26 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet tijdig beslissen op bezwaar tegen terugvordering ZW-uitkering

Betrokkene ontving vanaf 16 januari 2004 een Ziektewetuitkering. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, legde op 16 juli 2004 een boete op wegens het niet melden van inkomsten uit arbeid en stelde een terugvordering vast over de periode 26 april tot 16 mei 2004.

Betrokkene diende op 27 juli 2004 bezwaar in tegen het boetebesluit, dat op 24 september 2004 werd herroepen. Vervolgens stelde betrokkene beroep in tegen dat besluit. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gegrond en vernietigde het fictieve besluit, terwijl het beroep tegen het boetebesluit niet-ontvankelijk werd verklaard.

De Centrale Raad oordeelt dat het bezwaarschrift ook gericht was tegen het terugvorderingsbesluit en dat het besluit van 27 oktober 2004 als besluit op dat bezwaar moet worden aangemerkt. Hierdoor is het beroep mede tegen dit besluit gericht en moet de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de zaak worden terugverwezen voor nadere behandeling.

De Raad benadrukt dat de rechtbank moet beoordelen of het besluit van 27 oktober 2004 het bezwaar geheel tegemoetkomt en of het besluit in stand kan blijven. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer op 2 mei 2007.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor nadere behandeling.

Uitspraak

05/2580 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 maart 2005, 04/1839 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant
Datum uitspraak: 2 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2007. Voor appellant is verschenen J.L.M. Liesting. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene heeft met ingang van 16 januari 2004 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen.
Appellant heeft bij besluit van 22 juni 2004 de ZW-uitkering verlaagd met ingang van
26 april 2004.
Bij besluit van 16 juli 2004 heeft appellant vastgesteld dat de ZW-uitkering over de periode van 26 april 2004 tot en met
16 mei 2004 in zijn geheel onverschuldigd is betaald en € 685,50 teruggevorderd.
Bij besluit van eveneens 16 juli 2004 heeft appellant betrokkene een boete opgelegd omdat hij verzuimd heeft appellant te informeren over zijn inkomsten uit arbeid over de periode van 26 april 2004 tot en met 16 mei 2004.
Op 27 juli 2004 heeft betrokkene een bezwaarschrift ingediend.
Appellant heeft bij besluit van 24 september 2004 het bezwaar tegen het boetebesluit van 16 juli 2004 gegrond verklaard en dat besluit herroepen.
Tegen het besluit op bezwaar van 24 september 2004 heeft betrokkene bij brief van 21 oktober 2004 beroep ingesteld.
Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellant het terug te vorderen bedrag aan ZW-uitkering over de periode van 26 april 2004 tot en met 16 mei 2004 alsnog op € 456,14 vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep aangemerkt als mede gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit.
De rechtbank is ervan uitgegaan dat betrokkene met het bezwaarschrift van 27 juli 2004 - dat in de beroepsfase zich niet onder de gedingstukken bevond en ook niet traceerbaar was - bezwaar heeft gemaakt zowel tegen het terugvorderingsbesluit van 16 juli 2004 als tegen het boetebesluit van die datum.
Overwogen is in de aangevallen uitspraak dat de termijn van zes weken voor het nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit ruimschoots is verstreken en dat een reëel besluit daarop achterwege is gebleven.
De rechtbank heeft het beroep tegen het - met een besluit gelijk te stellen - niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar gegrond verklaard en dat fictieve besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank appellant opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat aan betrokkene het griffierecht zal worden vergoed.
Het beroep voor zover gericht tegen het (reële) besluit van 24 september 2004 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, overwegende dat betrokkene in zoverre geen belang heeft bij behandeling van het beroep nu geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar tegen het boetebesluit.
Appellant heeft in hoger beroep alsnog het bezwaarschrift van 27 juli 2004 overgelegd. Appellant heeft gesteld dat uit het bezwaarschrift blijkt dat daarbij slechts tegen het boetebesluit van 16 juli 2004 bezwaar is gemaakt, zodat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd.
De Raad stelt vast dat het bezwaarschrift naar zijn inhoud en strekking niet alleen is gericht tegen het boetebesluit maar tevens tegen het terugvorderingsbesluit. Betrokkene heeft daarin immers gesteld dat hij in de betreffende periode niet hele weken heeft gewerkt en dat het ontvangen loon minder is geweest dan het door appellant in aanmerking genomen bedrag. Door in aansluiting hierop te stellen dat appellant foutief volledig heeft uitbetaald, heeft betrokkene ook de hoogte van het teruggevorderde bedrag aangevochten.
In de aangevallen uitspraak is derhalve terecht het beroepschrift aangemerkt als mede gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit en geconcludeerd dat daarop niet tijdig is beslist.
De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat appellant, nadat beroep was ingesteld, het besluit van 27 oktober 2004 heeft genomen. Naar het oordeel van de Raad dient dit besluit als besluit op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit te worden aangemerkt. Het beroep moet ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden geacht mede tegen dat besluit te zijn gericht. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, wegens strijd met die bepaling worden vernietigd.
Aangezien het geding naar het oordeel van de Raad nadere behandeling door de rechtbank behoeft, acht de Raad het aangewezen de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank Maastricht.
Ter voorlichting van partijen merkt de Raad op dat het voorgaande betekent dat de rechtbank alsnog zal moeten nagaan of appellant met het besluit van 27 oktober 2004 geheel aan het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit is tegemoetgekomen en, zo nee, of dit besluit in rechte stand kan houden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Maastricht.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.