ECLI:NL:CRVB:2007:BA4346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- G.L.M.J. Stevens
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid beëindiging tijdelijk dienstverband universitair docent
Betrokkene was vanaf september 2003 universitair docent met een tijdelijk dienstverband dat per 1 september 2004 zou eindigen. Het college besloot het dienstverband niet te verlengen, wat betrokkene aanvocht. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onduidelijkheid over de samenstelling van de bezwarenadviescommissie, waarna het college een nieuw besluit nam dat het oorspronkelijke standpunt handhaafde.
De Raad oordeelde dat het college zich redelijk op het standpunt kon stellen dat betrokkene niet voldeed aan de redelijke eisen, met name het ontbreken van het schrijven van beursvoorstellen, een belangrijke taak binnen de leerstoelgroep. Betrokkene voerde aan dat hij andere taken kreeg en onvoldoende ondersteuning, maar dit was onvoldoende onderbouwd.
Verder werd vastgesteld dat betrokkene niet tijdig bezwaar maakte tegen zijn tijdelijke aanstelling en dat de werkzaamheden na afloop van het dienstverband niet als voortzetting konden worden beschouwd. De Raad verklaarde de beroepen tegen het uitblijven en de niet-tijdige besluitvorming niet-ontvankelijk omdat alsnog besluiten waren genomen. Het besluit van 10 augustus 2006 werd gedeeltelijk vernietigd wegens onbevoegdheid, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het college werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het college handhaafde de beëindiging van het tijdelijke dienstverband; de beroepen van betrokkene werden niet-ontvankelijk verklaard en het besluit gedeeltelijk vernietigd maar met in stand blijvende rechtsgevolgen.