ECLI:NL:CRVB:2007:BA4458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep oordeelt over terugvordering onverschuldigde Wajong-uitkering en schending redelijke termijn
Appellante, geboren in 1957, ontving een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf juli 1999 verrichtte zij werkzaamheden en ontving inkomsten, waarop het UWV bij besluiten van 21 maart 2001 de uitkering over juli 1999 tot januari 2001 heeft gekort of niet uitbetaald. Deze besluiten werden niet aangevochten. Later verklaarde het UWV het bezwaar van appellante tegen terugvordering van onverschuldigde betalingen ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV gehouden was tot terugvordering, dat er geen dringende redenen waren om daarvan af te zien, en dat de vordering niet was verjaard. Appellante stelde in hoger beroep dat de redelijke termijn was overschreden en dat dit gevolgen had voor de terugvordering.
De Raad stelde vast dat de behandeling van de zaak ongeveer zes jaar had geduurd, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt. Ondanks deze overschrijding oordeelde de Raad dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden blijven. Het UWV bracht geen rente in rekening en appellante loste de schuld maandelijks af. De Raad vond geen onaanvaardbare financiële gevolgen of bijzondere omstandigheden die terugvordering zouden moeten voorkomen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens schending van de redelijke termijn, verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de redelijke termijn, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.