ECLI:NL:CRVB:2007:BA4540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit WAO wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant had een voorschot op een WAO-uitkering ontvangen, dat later met terugwerkende kracht werd ingetrokken omdat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Het UWV vorderde vervolgens het te veel betaalde bedrag van €17.699,67 terug. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank handhaafde het besluit en oordeelde dat het UWV gehouden was tot terugvordering op grond van artikel 57 van Pro de WAO.
Appellant stelde in hoger beroep dat de procedure onredelijk lang duurde, wat in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro. De Raad constateerde dat de procedure meer dan vier jaar en zeven maanden had geduurd, wat de redelijke termijn overschreed. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6 EVRM Pro.
Ondanks de vernietiging van het besluit liet de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat vaststond dat het bedrag onverschuldigd was betaald en er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagde niet, omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat niet zou worden teruggevorderd.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten aan appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed. Er werd geen schadevergoeding toegekend wegens de lange duur van de procedure, omdat appellant dit niet had gevorderd.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.