ECLI:NL:CRVB:2007:BA4641

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-292 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit na medische beoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem een WAO-uitkering toe te kennen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank Arnhem, die oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen en gebaseerd was op anamnese, eigen onderzoek en dossierstudie, alsmede informatie van de behandelend internist en huisarts.

Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat er sprake was van meer beperkingen dan vastgesteld. Tevens werd aangevoerd dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, mede in het licht van eerdere uitspraken van de Raad. De Centrale Raad van Beroep overwoog echter dat appellant geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die de eerdere beoordeling konden weerleggen.

De Raad zag geen aanleiding om een nieuw medisch onderzoek te gelasten en vond dat ook de arbeidskundige onderbouwing in de bezwaarfase voldoende was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad concludeerde dat appellant in staat is de hem geduide functies te vervullen en dat het besluit van het UWV rechtmatig en zorgvuldig tot stand is gekomen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering met 25-35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/292 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 december 2004, 04/1605 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007, waar appellant en zijn gemachtigde -zoals was aangekondigd- niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.M.M. Diebels.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 12 maart 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 5 april 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij beslissing op bezwaar van 7 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het namens appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard waarbij zij, kort gezegd, heeft overwogen dat de conclusies ten aanzien van de gezondheid van appellant zijn gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek en dossierstudie door (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv W.T.M. Swartjes en M. Carere, en op informatie van de behandelend sector, de internist J.E.T. Reijnierse en de huisarts W. Timmerman. Uit de vergaarde informatie blijkt dat er bij appellant sprake is van een fors aantal -deels met elkaar samenhangende en familiair bepaalde- aandoeningen, als gevolg waarvan het Uwv forse beperkingen in appellants functionele mogelijkheden heeft aangenomen. Er zijn geen nadere medisch objectiveerbare gegevens in het geding gebracht die steun geven aan appellants opvatting dat op de datum in geding van verdergaande beperkingen zou moeten worden uitgegaan, aldus de rechtbank. Dat oordeel ziet ook op de zijdens appellant ter zitting van de rechtbank nog overgelegde rapportage van J.M. van den Hatert, arts, van het Medisch Juridisch Adviesbureau Nijmegen.
De stellingen van appellant in hoger beroep vormen in wezen een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Appellant stelt dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geschied en dat appellant een groot aantal gezondheidsklachten heeft. Tevens zou een urenbeperking geïndiceerd zijn. In aanvulling daarop heeft appellants gemachtigde nog aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd in het licht van ’s-Raads uitspraken van 9 november 2004 en 12 oktober 2006; die motivering is eerst ten behoeve van deze procedure bij de Raad verstrekt, hetgeen niet zonder gevolgen zou kunnen blijven.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en hetgeen de rechtbank daartoe heeft vastgesteld en overwogen. De Raad voegt daaraan toe dat ook in hoger beroep door appellant geen gegevens zijn ingebracht waaruit kan blijken dat de medische beoordeling van zijn mogelijkheden onjuist of onzorgvuldig is geschied. De Raad ziet ook geen aanleiding om een deskundige te verzoeken appellant te laten onderzoeken. Het is de Raad ten slotte niet gebleken dat appellant niet in staat zou zijn om de hem geduide functies te vervullen. In dit verband merkt de Raad nog op dat het bestreden besluit naar zijn oordeel, met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg van
6 juli 2004, reeds in de bezwaarfase ook arbeidskundig voldoende was onderbouwd zodat er, anders dan appellants gemachtigde heeft betoogd, geen aanleiding bestaat om de aangevallen uitspraak in verband met een gebrek op dit punt te vernietigen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en
J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.