ECLI:NL:CRVB:2007:BA4828

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1189 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 lid 3 WWArt. 9 lid 2 Maatregelenbesluit UWVArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens niet voldoen sollicitatieplicht

De zaak betreft het hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering aan betrokkene vernietigde. Betrokkene had binnen één jaar voor de vierde keer niet voldaan aan de sollicitatieplicht, waarop het UWV de uitkering stopzette.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid omdat betrokkene zich ziek achtte en onvoldoende was gewezen op zijn verplichtingen. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat betrokkene voldoende was geïnformeerd en gewaarschuwd, en dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd. Betrokkene had zich niet correct ziek gemeld, waardoor de sollicitatieplicht onverkort bleef gelden.

Wel oordeelt de Raad dat het UWV onvoldoende heeft onderzocht of het beroep op dringende reden, vanwege financiële nood van betrokkene, kans van slagen had. Daarom dient het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad wijst proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering en beveelt het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

06/1189 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2006, 05/3706 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 28 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellant heeft bij besluit van 28 januari 2004 aan betrokkene per 12 maart 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 procent. Het tegen dit besluit door betrokkene gemaakte bezwaar is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkene heeft daartegen geen beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 26 mei 2004 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 12 maart 2003 een WW-uitkering toegekend. Bij besluiten van 26 mei 2004, 22 juli 2004 en 19 augustus 2004 zijn aan betrokkene wegens het niet voldoen aan de sollicitatieverplichting maatregelen opgelegd, inhoudende kortingen op de WW-uitkering over in de genoemde besluiten aangegeven perioden. Tegen deze besluiten heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte zijn komen vast te staan.
Bij besluit van 20 september 2004 heeft appellant de WW-uitkering met ingang van
13 september 2004 voor de resterende uitkeringsduur blijvend geheel geweigerd omdat betrokkene voor de vierde keer binnen één jaar niet aan de sollicitatieverplichting heeft voldaan.
3. Bij het bestreden besluit van 14 januari 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat vast staat dat betrokkene voor de vierde maal binnen één jaar de sollicitatieplicht niet is nagekomen, zodat appellant in beginsel gehouden was de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren. De rechtbank is van oordeel dat appellant de uitkering echter ten onrechte blijvend geheel heeft geweigerd omdat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De uitlatingen van betrokkene op het formulier aanvullende gegevens en de werkbriefjes, alsmede het gegeven dat betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt tegen de in zwaarte toenemende maatregelen en naar aanleiding hiervan zijn sollicitatiegedrag niet heeft aangepast, wettigen volgens de rechtbank het oordeel dat betrokkene niet heeft begrepen dat van hem, ondanks zijn arbeidsongeschiktheid en ondanks het feit dat hij het met het besluit van 28 januari 2004 niet eens was, een andere opstelling werd verwacht. Enerzijds hadden de maatregelen voor betrokkene aanleiding moeten zijn om contact op te nemen met appellant om te vragen wat van hem verwacht werd, anderzijds had het, gezien de zwaarte en het definitieve karakter van de maatregel, op de weg van appellant gelegen om in ieder geval vóór de blijvend gehele weigering betrokkene erop te wijzen dat zolang hij zich niet volgens de regels had ziek gemeld de sollicitatieplicht onverkort gold. Betrokkene had dan zijn sollicitatiegedrag kunnen aanpassen. Ten slotte heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet gereageerd op de opmerking van betrokkene in het bezwaarschrift dat hij niet kan rondkomen van alleen een
WAO-uitkering. Appellant had hierin een beroep op de dringende reden moeten zien.
5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat betrokkene er voldoende op is gewezen dat er voor hem, om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering, bepaalde verplichtingen gelden. Bij de aanvraag heeft een gesprek plaatsgevonden waar betrokkene op de sollicitatieplicht is gewezen, daarnaast is de folder uitgereikt, en in juli 2004 heeft een nader onderzoek plaatsgevonden naar het niet solliciteren. Ook hierbij is betrokkene erop gewezen dat indien iemand niet in staat is te solliciteren, die persoon niet beschikbaar is en zich ziek dient te melden. Betrokkene heeft zich echter niet ziek gemeld per een datum dat hij een WW-uitkering ontving, maar heeft aangegeven dat hij per
13 maart 2002, de eerste ziektedag, ziek is geworden. Daarbij komt dat betrokkene er bij besluit van 19 augustus 2004 uitdrukkelijk op is gewezen dat zijn uitkering zou kunnen worden ingetrokken indien hij niet aan de sollicitatieplicht voldoet. Ondanks deze waarschuwing heeft betrokkene volhard in zijn houding omdat hij zichzelf ziek acht.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. In geding is de vraag aan de orde of appellant terecht de WW-uitkering van betrokkene blijvend geheel heeft geweigerd op de grond dat betrokkene voor de vierde keer binnen één jaar niet aan de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW heeft voldaan.
6.2. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Op grond van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (besluit van het Lisv van 14 januari 1998, Stcrt. 1998, nr. 22) wordt van betrokkene verlangd dat hij tenminste vier sollicitaties in een periode van vier weken verricht.
6.3. Vast staat dat betrokkene tijdens de periode in geding geen enkele sollicitatie heeft verricht en daarmee voor de vierde keer binnen één jaar niet aan de sollicitatieplicht heeft voldaan. Appellant was op grond van artikel 27, derde lid, van de WW juncto artikel 9, tweede lid, van het Maatregelenbesluit Uwv dan ook gehouden de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het geval van betrokkene niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid op grond waarvan appellant van een blijvend gehele weigering van de uitkering had moeten afzien. De Raad acht daarbij van belang dat betrokkene door appellant voldoende op de sollicitatieplicht is gewezen en is gewaarschuwd voor de consequenties van het niet solliciteren. In de
WAO-procedure heeft de arbeidsdeskundige betrokkene gewezen op zijn sollicitatieverplichtingen, hetgeen is bevestigd in de zogenoemde aanzegbrief ter zake van het recht op WAO-uitkering. Ook tijdens het gesprek bij de aanvraag van de
WW-uitkering en in de folder die aan betrokkene ter gelegenheid daarvan is uitgereikt, is betrokkene gewezen op zijn verplichting om te solliciteren. Bovendien is betrokkene in de verschillende besluiten waarbij aan hem maatregelen zijn opgelegd, gewezen op deze ook voor hem geldende verplichting. In het besluit van 19 augustus 2004 heeft appellant uitdrukkelijk gewezen op de consequenties van het volharden in het niet solliciteren, te weten de blijvend gehele weigering van de uitkering.
6.4. Met appellant is de Raad van oordeel dat het op de weg van betrokkene had gelegen om, zeker toen hij werd geconfronteerd met in zwaarte toenemende maatregelen, bij appellant te informeren naar zijn verplichtingen of de status van zijn ziekmelding. Betrokkene heeft dit niet gedaan, maar heeft volhard in zijn opstelling om niet te solliciteren omdat hij zich ziek acht. Evenmin heeft hij zich bij appellant op de juiste wijze ziek gemeld, ten gevolge waarvan de sollicitatieplicht voor hem onverkort gold. Appellant heeft dan ook terecht de WW-uitkering voor de resterende uitkeringsduur blijvend geheel geweigerd.
6.5. Voorts is de Raad van oordeel dat appellant in hetgeen betrokkene heeft vermeld in het bezwaarschrift, dat hij gelet op zijn financiële verplichtingen niet rond kan komen van alleen een WAO-uitkering, een beroep op de dringende reden had moeten zien. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is van een dringende reden slechts sprake indien het besluit voor betrokkene onaanvaardbare financiële en of sociale consequenties met zich brengt, hetgeen hier door betrokkene is gesteld. Naar het oordeel van de Raad is het onduidelijk of dit beroep kans van slagen zou hebben gehad omdat niet is gebleken dat betrokkene zich tot de Gemeentelijke Sociale Dienst heeft gewend om een bijstandsuitkering aan te vragen dan wel of deze aanvraag reeds is afgewezen. Appellant heeft dit naar het oordeel van de Raad evenwel onvoldoende onderzocht, zodat om die reden het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
6.6. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Appellant dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met in achtneming van deze uitspraak.
7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstand dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met in achtneming van de uitspraak van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en
C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) E. Heemsbergen.