ECLI:NL:CRVB:2007:BA4840

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2414 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin werd bepaald dat zij geen WAO-uitkering krijgt omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Het geschil draait om de vraag of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) terecht heeft besloten de uitkering te weigeren met ingang van 14 februari 2003.

De Raad onderschrijft de medische en arbeidskundige beoordeling van het Uwv, die concludeert dat appellante niet voldoende arbeidsongeschikt is. Appellante bracht geen objectieve medische gegevens aan die twijfel konden zaaien over deze beoordeling. Hoewel appellante stelde dat de kritische functionele mogelijkhedenlijst verborgen beperkingen bevat op het gebied van hand- en vingergebruik en schroefbewegingen, oordeelt de Raad dat deze beperkingen niet aanwezig zijn.

De verzekeringsarts heeft expliciet aangegeven dat appellante op deze aspecten normaal belastbaar is en dat de verminderde kracht in de handen dubieus is. Hierdoor faalt het hoger beroep en wordt de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/2414 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
A[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 maart 2005, 04/525 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 30 maart 2007. Appellante is aldaar, zoals tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv was evenmin vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Evenals in beroep ligt thans in hoger beroep ter beantwoording de vraag voor of het Uwv bij besluit van 2 februari 2004 (hierna: bestreden besluit), waarbij hij heeft gehandhaafd zijn besluit van 1 september 2003, terecht en op goede gronden met ingang van 14 februari 2003 - in aansluiting op het einde van de wachttijd - appellante geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft toegekend, op de grond dat appellante ten tijde van belang minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak bevestigend.
De door de rechtbank gehanteerde overwegingen ter zake van de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschrijft de Raad en maakt hij tot de zijne. In hoger beroep evenmin als in beroep heeft appellante objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Verder onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit ook wat betreft de arbeidskundige component de aan te leggen rechterlijke toetsing kan doorstaan.
In hoger beroep is bij fax-bericht van 29 maart 2007 namens appellante nog gesteld dat de kritische functionele mogelijkhedenlijst zogenoemde verstopte beperkingen kent op de aspecten 4.3 (hand- en vingergebruik) en 4.7 (schroefbewegingen met hand en arm). Van zodanige beperkingen heeft noch de arbeidsdeskundige, noch de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv zich rekenschap gegeven, zodat - aldus de gemachtigde van appellante - appellante ten onrechte niet ongeschikt is geacht voor de maatgevende functie van marketeer.
Dienaangaande stelt de Raad vast dat de kritische functionele mogelijkhedenlijst, anders dan de gemachtigde van appellante meent, op de aspecten 4.3 en 4.7 geen verborgen beperkingen kent. Door de verzekeringsarts is immers juist uitdrukkelijk aangegeven dat appellante op deze aspecten niet specifiek beperkt is maar normaal belastbaar. Hij heeft daarbij ter toelichting opgemerkt dat de verminderde kracht in de handen dubieus is.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt derhalve bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op
11 mei 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) M.H.A. Uri.