ECLI:NL:CRVB:2007:BA5018

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05 - 7276 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit intrekking bruikleenauto na inkomenswijziging door huwelijk

Appellant kreeg op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een bruikleenauto toegekend. Na zijn huwelijk en het daardoor gewijzigde inkomen besloot het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam dat appellant niet langer voor de bruikleenauto in aanmerking kwam en verleende in plaats daarvan een financiële tegemoetkoming.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en kreeg gedeeltelijk gelijk: het bezwaar tegen de intrekking van de bruikleenauto werd ongegrond verklaard, maar de financiële tegemoetkoming werd verhoogd. Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank die de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand hield.

Hij voerde aan dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn huwelijk geen gevolgen zou hebben voor de bruikleenauto, mede op basis van een vermeende toezegging van een medewerker van de Sociale Dienst. Ook betwistte hij de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van proceskosten.

De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan door een bevoegd orgaan. Ook zag de Raad geen aanleiding om de uitspraak over de proceskosten te wijzigen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de bruikleenauto na inkomenswijziging door huwelijk wordt bevestigd en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen.

Uitspraak

05/7276 WVG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2005, 02/4808 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College),
Datum uitspraak: 18 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Aan appellant is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) bij besluit van 8 oktober 1999 een voorziening in de vorm van een bruikleenauto toegekend. In verband met het gewijzigde inkomen van appellant ten gevolge van de huwelijkssluiting van appellant met mevrouw [echtgenote] op
12 september 2000 is bij besluit van 8 december 2000 aan appellant meegedeeld dat hij niet meer in aanmerking komt voor een bruikleenauto. Daarvoor in de plaats is hem een financiële tegemoetkoming van fl. 7.000,-- in de aanschaf van een eigen auto toegekend.
Bij besluit van 24 september 2002 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
8 december 2000 gegrond verklaard en de financiële tegemoetkoming nader vastgesteld op fl. 14.000,--. Het bezwaar, voor zover gericht tegen het niet meer in aanmerking komen van een bruikleenauto, is ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, dat uitsluitend gericht was tegen de in het besluit van 24 september 2002 gehandhaafde intrekking van de toegekende bruikleenauto, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van
24 september 2002 in stand blijven. Hij heeft - kort samengevat - aangevoerd dat hij er op mocht vertrouwen dat zijn huwelijk geen consequenties zou hebben voor de hem toegekende bruikleenauto. Hij stelt dat een medewerker van de Sociale Dienst te Amsterdam, H. Golberdinge, hem telefonisch heeft verzekerd dat zijn voorgenomen huwelijk geen invloed zou hebben op de toekenning van de bruikleenauto. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Appellant stelt ongeveer
€ 100,-- te hebben uitgegeven aan vervoerskosten en kosten van aangetekende verzending.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het eerst ter zitting naar voren gebrachte standpunt van gedaagde dat appellant geen procesbelang meer heeft omdat hem een tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een auto en van de noodzakelijke aanpassingen daarvan zijn toegekend, deelt de Raad niet. Niet is gebleken dat het resultaat dat appellant met het indienen van hoger beroep nastreeft, het kunnen beschikken over een bruikleenauto, met het ingestelde beroep niet kan worden bereikt en dat het realiseren van dat resultaat voor appellant feitelijk geen betekenis zou kunnen hebben.
Zoals de Raad herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht (bijvoorbeeld
CRvB 5 december 2006, LJN: AZ 4449) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van dergelijke toezeggingen is de Raad niet gebleken. Appellant heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat Golberdinge heeft toegezegd - in welke context dan ook - dat het huwelijk van appellant geen consequenties zou hebben voor de aan appellant toegekende bruikleenauto.
Aangezien niet is gebleken dat appellant de rechtbank heeft verzocht om een vergoeding voor de kosten van vervoer en porti, ziet de Raad geen aanleiding om de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten, voor onjuist te houden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende.
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.
(get.) R.M. van Male.
(get.) S.R. Bagga.
TG23032007