ECLI:NL:CRVB:2007:BA5038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding hoortoestel voor arbeidsgehandicapte in werksituatie onder Wet Rea
Appellante, werkzaam als arbeidsgehandicapte, vroeg het UWV om een vergoeding voor de vervanging van haar hoortoestel. De kosten bedroegen €1.410,39, waarvan zij reeds €546,70 vergoed kreeg via de Ziekenfondswet. Het UWV wees de aanvullende vergoeding af omdat het hoortoestel ook in de thuissituatie werd gebruikt en het niet vrijwel uitsluitend voor de werksituatie was bedoeld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit, stellende dat kosten van een gehoorapparaat niet als voorziening in de zin van de Wet Rea konden worden aangemerkt. Appellante ging tegen deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd is om een vergoeding toe te kennen voor voorzieningen die vrijwel uitsluitend voor de werksituatie van een arbeidsgehandicapte zijn bedoeld. De Ziekenfondswet voorziet niet in vergoeding van hoortoestellen die aan de specifieke eisen van de werksituatie voldoen. Het beleid van het UWV dat een hoortoestel dat ook buiten het werk gebruikt wordt niet vergoed kan worden, werd verworpen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het UWV moet een nieuw besluit nemen over de vergoeding van het hoortoestel, rekening houdend met de werksituatie van appellante.