ECLI:NL:CRVB:2007:BA5279

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1942 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbArt. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffersArt. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen besluit vergoeding huishoudelijke hulp Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Appellante, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, had een declaratie ingediend voor vergoeding van medische kosten en huishoudelijke hulp. De verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, betaalde de medische kosten uit maar stelde dat over de vergoeding van huishoudelijke hulp nog geen besluit was genomen.

Appellante maakte bezwaar tegen dit standpunt, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat er nog geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht was genomen over de vergoeding van huishoudelijke hulp. Appellante stelde beroep in tegen dit onderdeel van het bestreden besluit.

De Raad oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de betalingsbeschikking slechts een aankondiging betrof en geen besluit. Er zijn geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 mei 2007, waarbij de voorzitter en twee leden het oordeel onderschreven. Het beroep van appellante wordt verworpen en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar tegen vergoeding huishoudelijke hulp terecht niet-ontvankelijk was.

Uitspraak

06/1942 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 3 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
27 januari 2006, kenmerk JZ/S85/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2007. Namens appellante is verschenen E. [U.], echtgenoot van appellante. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aan haar zijn diverse voorzieningen als bedoeld in artikel 20 en Pro 21 van de Wet toegekend in verband met de bij haar aanwezige met de vervolging in verband staande ziekten en gebreken, waaronder de vergoeding van huishoudelijke hulp gedurende 8 uur per week. Naar aanleiding van een namens appellante op 30 augustus 2005 ingediende declaratie van medische kosten en huishoudelijke hulp heeft verweerster bij betalingsbeschikking van
6 september 2005 bepaald dat aan medische kosten een bedrag van € 360,74 wordt uitbetaald en dat over de declaratie van huishoudelijke hulp nog moet worden beslist. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit gegrond verklaard, waarbij enkele aan medische kosten uit te betalen bedragen zijn gecorrigeerd. Het bezwaar met betrekking tot vergoeding van huishoudelijke hulp is bij het bestreden besluit niet ontvankelijk verklaard. Dit laatste onderdeel van het bestreden besluit is namens appellante in beroep bestreden.
De Raad volgt verweerster in het oordeel dat bij de betalingsbeschikking van 6 september 2005 nog slechts was aangekondigd dat over de bij de declaratie van 30 augustus 2005 verzochte vergoeding van huishoudelijke hulp zou worden beslist. Nu dus nog geen sprake was van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bezwaar bij het bestreden besluit in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard en acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.